Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 65
;
63
borgene tranen geschreid worden. Maar wat thans minder dan in Hanna's dagen verstaan wordt, is, dat in zulk een geval „de Heere de baarmoeder toesluit", en dat dus ook de Heere haar alleen openen kan. Nu eens met, dan zonder hulpe van den medicijnmeester maar zoo, dat het toch altoos de Heere is, die sluit en opent. En ook aan dat hooge standpunt nu is onze gelooflooze tijd ontzonken. Men zoekt heil ook voor dit lijden, niet bij onzen God, maar bij de wetenschap. De mensch staat te hoog voor het geloof en wil zich zelf redden. Juist in tegenstelling met wat Hanlia in haar lied zong: „Maak het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, want de Heere is de God ook der wetenschappen". In het geloof ligt daarom de adel van Hanna's hart; en wel in een geloof, dat ze niet uit zich zelve, maar uit God had evenals de drang tot haar gebed. Immers zonder dat Hanna het wist, had de Heere iets grootsch met haar voor. Jehovah was met zijn bondsvolk aan een keerpunt toegekomen. Samuëi stond geboren te worden. En nu teekent ons de Heere in Hanna's vrouwelijke smart en heilige moedervreugd, hoe Hij reeds vooruit bezig is, om Samuël's komste te bereiden. Noem het dus een goddelijk instinct of goddelijk voorbesef: maar er was iets, dat Hanna dreef. Ze had geen ruste. Een gevoel o veroverweldigde haar, alsof haar levenstaak niet voleind was, eer ze een kind had gebaard. En zelfs de terging van Peninna doet dienst in Gods bestel, om dat brandende verlangen in Hanna te sterker ^
:
te prikkelen.
En
in
staat
in
dien nood nu werpt Hanna zich geheel op haar God. Ze het vast geloof, dat alleen God een vrouw moeder kan
maken. Dat alleen God de Schepper ook van het kind der menschen Hij kan het. Hij zal het. Als ze Hem maar tot haar Sterkte stelt, en van de worsteling in het gebed niet aflaat. En terwijl nu Elkana en Peninna zich te Silo aan de gewone feestviering overgeven, sluipt Hanna stil wQg naar de groole zaal van het Heiligdom. En daar langs den wand, in een hoekje, waar ze onopgemerkt hoopt te blijven, knielt ze neer, en bidt, bidt vuri^. bidt hartstochtelijk, bidt alsof ze haar God niet los wil laten, eer Hij haar de verhooring harer bede gegeven heeft. Zoo bad ze met een gebed, dat zeker niet zuiver was; want het beeld van Peninna bleef haar jagen. Het was haar zeer zeker ook om triomf te doen over die vrouw, die haar zoo bitterlijk tergde. Vandaar dat ze straks in haar jubelzang zingt: „Mijn mond is wijd opengedaan over mijne vijandin." En vandaar dat ze bereid is, indien ze maar een kind krijgt, dit dadelijk weer aan den Heere af te staan. Wat haar het diepste drijft is maar, om van den swaad der kinderloosheid ontheven te worden. IS.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's