Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 67

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 67

3 minuten leestijd

65

gaan als offerande, om het leven van haar kind te redden; en nog lachen ze en tieren in onze gezinnen de jonge dochteren, die na niet zoo lange jaren door onzen God voor gelijke offerande bestemd

zijn.

al ware het dus niet om Rachel, al ware het niet om Icamoeder, nog zou ter wille van de moeders, die door gelijken dood uit ons midden zijn weggegaan, of om die anderen, wie dit lot in onze eigen kringen nog wacht, dit aandoenlijk verhaal ons boeier].

Ook

bód's

Maar

bij Icabód's moeder komt iets bij. schrok. Die schrik maakte, dat haar barensweeën haar overvielen. En in die weeën bleef ze. Maar die schrik was op haar gevallen om haar geloof.

Zij

Want

wel greep haar ook het doodsbericht van Pinehas, haar aan; evenals het plotselinge afsterven van haar schoonvader Eli; maar toch doet de Schrift opzettelijk uitkomen, dat niet dit, maar het verlies van de Arke Gods haar het geweldigst aangreep. Want als ze haar kind Icahód noemt, doelt ze met Icabód, wat zeggen wil: „Weg is de eere", niet op den dood van Eli of Pinehas, maar wel ter dege op het wegvoeren van de Arke door de Philistijnen, gelijk ze dit dan ook tot tweemaal toe in haar sterven

man,

zelve betuigt: „De eere is gevankelijk weggevoerd uit Israël, ivant de Arke Gods is genomen.^ Dit nu zou niet zoo geweest zijn, als het geloof niet diep in haar ziel geworteld ware geweest, en zoo de vreeze des Heeren bij haar niet boven alles ware gegaan. Want wel schrok ook Eli hevig, die toch niet zoo diep geloofd had; maar bij Eli was dit het heftig verwijt der conscientie, dat hij het meenemen van de Arke Gods in den krijg als Hoogepriester had toegestaan terwijl Icabód's moeder niets dan een klachte heeft over de wegvoering van de eere Gods. Zoo maakt zij dus den indruk van een innig vrome vrouw in een deels zwak, deels gansch goddeloos priesterlijk geslacht. Pinehas, haar man, was evenals Hophni, haar zwager, een verachtelijke figuur; een man die zich aan roof uit de offeranden schuldig maakte; die het vrome volk, dat naar den Tabernakel kwam, als een despoot mishandelde; en schandelijkheden pleegde bij de Tente des Heeren. Er staat van Pinehas dan ook uitdrukkelijk, dat hij een zoon Belials was, en „den Heere niet kende" en alzoo ongerechtelijk deed met al de Israëlieten, en ze zelfs dreigde met geweld. En tot eenige heul en steun in zoo benarden toestand had ze dan den ouden Eli, een man die nog wel geloofde, maar zoo slap en zoo zwak, dat zij, de vergetene en verstootene vrouw, letterlijk de eenige in dit huis w-as, in wie het waarachtig geloof nog voortleefde. ;

;

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898

Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's

Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 67

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898

Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's