Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 87
;
XXV.
iRaómi,
Maar zij zeide tot hen Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara, want de Almachtige heeft :
mij groote bitterheid aangedaan. Eiith
1
:
20.
Naomi
beteekent „de lieflijke;" en metterdaad is ze een vriendelieflijke, een aanminnige verschijning, als de aanblik der Thamars en der Raclialis en der Delilas u vermoeid, en immers uw een
lijke,
ziel
gekrenkt
En
heeft.
mogen we dan ook
in de heilige geslachtslinie van den enkel de Naömi's en vrouwen als Ruth ontmoeten God de Heere ons tot onze zelfvernedering en zelf beschaming, om het ontzettende feit te erkennen, dat, om onze zonde, de Thamars, de Rachabs en de Bathsebas daarin beur zondige plaats moeten hebben, toch verkwikt het ons hart, en leeft onze ziel er bij op, als God ons vergunt, een oogenblik ons van die historiën van menschelijke laagheid af te trekken, en te staren op vrouwelijke gestalten, waarin zieleadel spreekt, en die een hooger schoon voor ons oog doen schitteren, dan de gloed der zon soms tooveren kon in het Oostersch vrouwelijk oog. Er is in Naomi zulk een vrouwelijke nobelheid van zin, dat uw hart onwillekeurig met haar meeleeft te meer daar alles u den indruk geeft, dat ze door lijden geheiligd was. Uit Bethlehem herkomstig, was ze reeds als jonge vrouw genoodzaakt, met Elimélech, haar man, voor den honger uit haar stad en al
Christus niet en al dwingt
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's