Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 53
-
51
Simson's moeder was gehuwd met Manóach, een man uit den stam van Dan, en woonde met hem te Zora. Aan het goede des levens hadden deze echtelieden blijkbaar geen want ze hadden eigen beesten op stal staan, en maken over o-ebrek maar hun innig ziels het geheel den indruk van welgestelde lieden verlangen naar dat echtelijk geluk, dat alleen het bezit van een ;
;
eigen kind schenkt, bleef dusver onbevredigd. Doch zie, op een keer dat de vrouw alleen in het veld
was gegaan, verscheen haar een geheimzinnig wezen, een engel Gods in menschelijke gedaante, gelijk Abraham er drie bij de eikenbosschen van Mamree o-ezien had. En deze man, (want voor een man zag ze hem aan al blonk zijn gelaat ook „zeer vreeslijk") spreekt haar toe in haar en "hoewel ze hem ganschelijk niet kende, bleek het dat eigen taal want, zonder verdere inleiding, del^e vreemde haar zielsmart verstond kwam hij aanstonds op hare kinderloosheid, en gaf haar de geheel onverwachte verzekering, dat ze niet lang na dezen moeder stond te worden. Meer nog, hij zei haar aan, dat het kind, dat ze krijgen zou, een bijzonder instrument des Heeren, een Nazireër Gods, zou zijn, en hij gaf haar deswege den raad om gedurende haar zwangerschap zich van alle vrucht des wijnstoks te onthouden. ;
;
ze deze wonderbare ontmoeting natuurlijk kan haar man mede. Ze had niet eens durven vragen wie en hij was heengegaan zonder zijn naam haar te zegdie man was gen. Dit verbaasde haar man natuurlijk zeer, en, evenals zij zelve, vermoedde ook hij, dat het een Engel Gods was geweest. Wie anders toch kon haar zulk een belofte gegeven hebben? Maar toch, dit was hem niet genoeg; en in vrome aandrift wierp hij zich op de knieën, om van God te begeeren, dat ditzelfde geheimzinnige wezen hun nogmaals verschijnen mocht. En waarlijk, die bede werd verhoord. Op een keer, dat de vrouw weer alleen in het veld was, staat daar plotseling weer diezelfde blinkende verschijning voor haar. Doch nu had ze ook gQQXi rust maar liep ijlings huiswaarts om haar
Thuis
gekomen deelde
terstond
;
;
man
te roepen.
En Manóach kwam
saam tegenover den engel, maar gedaante hun tegenblonk zoodat
haastelijk.
En nu stonden
beiden
altoos in menschelijke ze niet recht wisten, hoe ze het die
nog
hadden.
Manóach kan het in die onzekerheid niet uithouden, en vraagt Zijt gij die man, die mijn vrouw die belofte gaf? En driestweg daar dit zoo bleek te zijn, bood hij hem gastvrijheid aan, en wilde een boksken voor hem bereiden. Maar de Engel sloeg dit af. „Houd mij niet op," sprak hij, „en zoo ge offeren wilt, offer den Heere!" want, zoo zegt het verhaal, hij vermoedde wel dat het een Engel :
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's