Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 155
153
Maar
het
gelijk
bij
meer
gaat, niet ieder allen er aan meedoen.
En
dit
was
het,
het opkomen van zulke geestesstemmingen wordt er door aangetrokken, en toch willen
wat ook Ananias en
Saffira heeft verlokt.
Zij waren blijkbaar nog niet geheel van het aardsche goed losgemaakt, en in hen sprak de liefde voor de broederen nog niet in die mate, dat^ ze te veel van hun vermogen willen laten varen. Nu, wie zou hun dit tot zonde hebben gerekend? Zegt Petrus zelf niet: „Gebleven zijnde, was uw goed niet het uwe?" Maar, en nu begint het onoprechte, ze vinden die geestdrift, dat enthousiasme in de anderen, toch wel aantrekkelijk. Ze hooren met lof spreken van dezen en genen, die een huis of een akker te gelde heeft gemaakt. En nu prikkelt het hen, dat men hen in die lofspraak nog niet kan opnemen. Veeleer is het, of de anderen, die weten dat ook zij een akker hebben, hen verwijtend aan dien akker
herinneren.
En nu komt het denkbeeld op, om ook hun akker te verkoopen. Ze willen dien akker niet houden. Die akker verwijt hun. Zoolang ze dien akker houden, staan ze in de Kerk als on vrome menschen bekend.
En
zoo
rijpt er
er
los
van
een besluit, dat die akker weg moet. Niet Integendeel. Veel liever hielden ze hun akker. En ook niet, omdat ze voor hun naaste zooveel over hebben. Die trek werkt gewisselijk niet in hen. Maar nu er zoovelen zijn, die hun goed voor de broederen verkoopen, willen zij niet hekend staan als stille potters, die alleen voor zichzelven zorgen. En zoo wordt het dan tusschen man en vrouw afgesproken. Saffira, zoo zegt Ananias tot zijn vrouw, ge vindt het dus goed: de akker gaat weg. wijl
ze
En nu gaat
zijn.
de akker, en hiermee glijdt hun een pak van het Straks zal men ook van hen vertellen, dat ze hun akker verkocht hebben en zoo is de steen des aanstoots verdwenen. Edoch. .en hierin schrijdt de innerlijke onwaarheid tot valschheid voort, niemand hoeft te weten, hoeveel ze voor hun akker gemaakt hebben maar in elk geval spreken man en vrouw af, om er een sommetje van achter te houden. Natuurlijk niet te veel, niet de helft, want dan zou het in het oog zijn geloopen. En dat juist wilden ze niet. Het moest den schijn hebben alsof ze alles brachten. En als dat nu maar gelukt was, waren ze in de wolken geweest. Zij, de vrome lieden, van wie heel de gemeente dacht, dat ze alles ^QgeY^n hadden, en dan toch thuis in hun kabinet nog een overwinstje om op te potten. hart.
;
.
.
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's