Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 44
42 zondaren
en
zondaressen niet verstond, en nog altoos zekere men-
schelijhe gerechtigheid
poogde op
te richten.
aan te doen. Rachab was wel waarlijk een 31 wezenlijke hoer, zooals ons uit het Grieksch van Hebr. XI onomstootelijk blijkt. Zoonah toch in het Hebreeuwsch en Pornê in het Grieksch hebben nooit iets anders beteekend en hoe ontzettend voor onzen hoogmoed het ook zij, het feit ligt er eenmaal toe, dat èu Thamar èn Rachab èn Bathsebah alle drie voorkomen onder de stammoeders van onzen Heiland, niet als heiligen, maar als diepgezonken zondaressen.
En
toch,
er
is
niets
:
;
„Ze hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd", dat geldt voor de braafste huisvrouw in ons midden én voor Rachab. Er is geen onderscheid. En zoo de braafopgevoede zich niet met een Rachabs geloof tot haar
God
bekeert, zal het gruwelijk volk van
eene
voorgaan
in het
Sodom
Koninkrijk der Hemelen.
en Gomorrah zulk De Heere heeft het
zelf gezegd.
Het is zoo, dit alles werpt den gewonen maatstaf der wereld geheel omver. Maar zóó en niet anders is de maatstaf van het goddelijk Evangelie. Sterker nog: Rachab is niet eerst hoer geweest, en daarna tot maar dat geloof was in haar, en werkte in haar, geloof gekomen op hetzelfde oogenblik, dat ze nog als veile vrouw in haar zondig huis zat, en als zondaresse over nacht vreemde mannen bij zich ontving. En eerst toen God de muren van Jericho liet invallen, en met die muren ook het zondehuis van Rachab, dat daarop stond, toen eerst is Rachab van haar zondo bekeerd, en is ze de huisvrouw van een der Vorsten van Israël geworden. En niet ondanks, maar juist uit hoofde van die geloofswerking, nog te midden van haar zondig leven, wordt juist Rachab naast Sarah als de tweede lieldin des geloofs door den H. apostel geloofd en vereeuwiofd. ;
Juist
doordien
de
reizende
kooplieden
destijds
veelal
bij
zulke
vrouwen den nacht doorbrachten, had Rachab keer op keer gehoord van dat wondere volk, dat uit Egypte naderende was, en van dien God van Israël, die zoo ontzettende wonderen deed. Zoo liet God haar door die inkeerende zondaars zijn Woord prediken. En terwijl nu Israël aldoor morde, en zelfs een Mirjam om haar ongeloof met melaatschheid moest geslagen, en Mozes zelfs om Zippóra's zonde met doodelijke krankheid wierd overvallen, belieft
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's