Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 124

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 124

2 minuten leestijd

112

om

de

belofte,

ven is

ze

zoo,

beloofde

trouw,

om

de in den

mocht toch het zwaard Gibeon onder Israël wonen,

maar ook

naam van Jehovah gegeven niet verdelgen. En zoo ble-

en houthakkers, het hoe een eed en belofte zelfs tegen-

als watei'putters

als toonbeeld,

over een schuldige heilig blijft. Een trek, die ons daarom zoo diep door Gods Woord wordt ingegrift, opdat wij, zondaren, het geloof niet verliezen zouden in de trouw van Gods belofte aan ons. Immers wij zijn tegenover God de Gibeonieten. En als er geen ti'ouw aan Gibeon om zijn zonde was, waar bleef dan de trouw van den heiligen God tegenover ons, dieijgevallenen die

we

zijn ?

Stipt had Israël dan ook al die jaren dien eed aan de Gibeonieten gestand gedaan, tot Saul optrad. Saul, die het maar niet verstond, dat hij niets had te doen dan de beschikking Gods uit te voeren, en alles zelf beschikken wilde. Met een goed doel, het zij zoo. Maar zoo dan toch, dat zijn wil en beschikking voor Gods bevel in de jjlaats trad. Zoo wordt Agag gespaard uit menschlievendheid. Zoo moet hij als Koning offeren in de plaats van Samuel. En zoo nu ook moest Gibeon uitgeroeid, omdat het een Heidensche stad in Israël was.

Geheel uitgeroeid was het wel niet. Maar, genoeg, Saul had toch een schrikkelijke slachting onder Gibeon aangericht, en hiermee was de belofte aan (jibeon geschonden, en de eed gebroken, die in 's Heeren naam aan Gibeon gezworen was. Die eedbreuk moest gewroken en nauwelijks is Saul op de hoogte van Gilboa gevallen, of de Gibeonieten vragen een zoenoffer van zeven man uit het geslacht van Saul, waartoe de Koning èn Rizpa's beide zonen, Armóni en Mephibóseth, aanwijst, én vijf zonen van Michals zuster. Die zeven mannen worden dan ook aan Gibeon uitgeleverd, en de Gibeonieten hangen ze op aan het hout. ;

Doch nu komt Rizpa. Haar zonen redden van den dood, kan ze niet. Keeds hing beider lijk aan de galg. Den vloek, die op Sauls geslacht rustte, konden ook

zij

niet

ontkomen.

Maar ook na den dood aan het vloekhout, roept '

er uit het op-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898

Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's

Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 124

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898

Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's