Het Calvinisme - pagina 168
HET CALVINISME EN DE KUNST.
l6o
Reden waarom het noch zoo uit
dat
men aan
Calvinisme
in
porphyr of arduinsteen de
eerlijke rechtspraak
is,
het Calvinisme verwijt, wat rechtstreeks voortvloeit
Even weinig kan het bevreemden,
het verschil in volksaard. het
noch naar
logisch,
onze uit
Noordelijke
geen marmer,
landen
den grond kon tooveren, en dat deswege
bouw- en beeldhouwkunst, die
rijke
natuursteen als stoffe be-
hoeven, zich gereeder ontwikkelden in landen waar de steengroeve
dezen schat uitlevert, dan in een land klei
en
heel
en van alle natuurlijke gegevens meest onafhankelijke dien hoofde de
uit
zijn
eenige, die hier in
scheppingen
de
van wat eens Nederlandsche kunst
uit steen
ook wie Quellinus' en De Keyzers beelden
Willem
van
graf
hier staat tegenover,
nisme
gewrocht
beitel
in
latere ontwikkeling
zijn
trek
dat
krachtens
om
cathedralen
amphitheaters
riep,
geen enkelen
Het Calvinisme noch
stichtte,
kon geen machtige
om
wekken
van zoo
reusachtige
ge-
bevolken met scheppingen der beeldhouwkunst.
De
de
nissen
ledige
verdienste van het Calvinisme voor de kunst ligt dan niet in
Maar
niet.
scheppingen doen verrijzen, en kon dus evenmin
architectonische
te
noch
beginsel
zijn
paleizen bouwde, noch
bouwen
En
heeft.
dat onze stadhuisbouw lang vóór het Calvi-
vertoont, die aan het Calvinisme herinnert.
drang
getuigen
Antwerpen en op
te
mannen van den
deze
ook
en
optrad
te
den Zwijger mocht genieten, loochent de
van
kunstvaardigheid
Leuven
der architectoniek zou innemen.
en Middelburg, Antwerpen en Amsterdam weten nog
het
aanmerking
Niet alsof onze stadhuisbouw geen eigen plaats der eere
komen. onder
Nederland, dat rust op
Dichtkunst, toonkunst en schilderkunst, de drie ge-
slib.
vrije
kunsten,
als
ook
elders,
de objectieve, maar uitsluitend in de meer subjectieve kunsten,
die zonder
den steun van millioenen schats en zonder hulp van de
marmergroeve,
vrij
opbloeien uit
's
menschen
geest.
Van de
dicht-
kunst zwijg ik daarbij. Anders toch zou ik in de eerste plaats op onze
Nederlandsche Dichtkunst moeten wijzen, en reeds het eng beperkt gebied onzer taal sloot onze dichtkunst van de wereld af
Wat
uitne-
mende dichters in meerdere scholen te gelijk ook onder ons opgestaan,
deswege
hun invloed moest
op
de
dichtkunst
nationaal
zijn
begrensd blijven en kon
als wereldverschijnsel niet
inwerken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 212 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 212 Pagina's