Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 88
den echt heeft de vrouw zoo teedere roeping. Als wat den man aan God en zijn Heiland bindt, moet zijn vrouw nog een hulpe tegenover hem zijn, om de ziel van haar man aan Satan te betwisten en hem met de koorden van een bijna onuitbluschbare liefde naar zijn Heiland terug te trekken. Daarvoor ontving de vrouw haar teederder hart, haar zachter gemoed, haar gevoeliger liefde. En toch, is het zoo zeldzaam, dat ge juist het omgekeerde vindt ? Een man, die nog trouw aan de waarheid zijns Gods vasthoudt, en bij hem een vrouw, die niet alleen haar eigen hart, maar ook het heilig kleed der religie in allerlei plooien plooien wil, en dies o zoo vaak, instaat tusschen zijn God en zijn hart!
Vooral
in
bezwijkt
alles
XXXIX.
Wc
Ikoningin van öcbeba. De Koningin van 't zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en 't zelve veroordeelen; want zy is gekomen van de einden der aarde om te hooren de wijsheid Salomo's en zie, meer dan Salomo is hier. :
Matth. 12
:
42.
Dat de Koningin van Scheba eene bekeerde Heidensche vrouw zou geweest zijn, staat nergens. Eer staat er het tegendeel. Want ware ze een geroepene des Heeren geweest, dan zou ze natuurlijk, zoodra ze te Jeruzalem kwam, het eerst hare schreden naar den heiligen Tempel hebben gericht, om offeranden te offeren aan den God van Israël. Doch hierover staat noch in het verhaal van 1 Koningen 10, noch in het verhaal van 2 Chron. 9 ook maar iets. Ze komt naar Jeruzalem. Ze moet alles zien wat Salomo in zijne paleizen en galerijen prachtigs en schitterends gebouwd heeft. Zien al de weelde van zijn hof; en hooren al de wijsheid die uit zijn mond uitgaat. Maar het blijkt uit niet één woord, dat ze zich met de ware religie heeft ingelaten, of ook maar even naar de ware religie heeft gevraagd. Want wel roept ze ten slotte uit: „Geloofd zij de Heer e, uw God, die behagen in u heeft gehad, om u op den troon van Israël te zetten" maar zoo spreekt een Heiden altijd. Juist omdat hij aan het bestaan van vele goden gelooft; neemt hij allicht aan dat ook die andere God wel een God kan zijn. En ze zegt dan ook uitdrukkelijk „de Heere, uw God^, als bij tegenstelling met haar eigen goden. En wat de uitspraak van Jezus aanbelangt, ook hieruit is volstrekt niet af te leiden, dat deze Koningin zich van de afgoden tot den Gods Israëls bekeerd had. Ook van de Ninevieten toch ze^t de ;
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's