Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 80
78
Doch wat gebeurt? Jonathan en Ahimaaz zagen om, en merkten dat ze vervolgd werden. Daarom liepen ze wat ze konden maar zouden het op den duur toch niet tegen Absalom's snelloopers hebben uitgehouden. ;
ze daarom bij het dorpje Bahurim kwamen, en daar in een aan den weg een breeden put, zonder water zagen, wisten ze niet beter te doen, dan zich ijlings, eer de vervolgers kwamen, in dien put te verstoppen. Toch zou hun dit niet gebaat hebben want van den weg af was te zien, dat ze in den put zaten. En zoo waren ze stellig verloren geweest, zoo David in datzelfde Bahurim niet stille, verborgen vrienden had gehad, en zoo niet een vrouwken in Bahurim hem met hart en ziel genegen ware geweest. Het geval wilde namelijk, dat de tuin, waarin die put was, hoorde aan een man, wiens vrouw even trouw aan Davids zaak, als gewikst in haar handelingen was. Zoodra toch als zij, misschien door de traliën van haar venster, merkt, dat Jonathan en Ahimaaz daar komen aanrennen en in den put springen, doorziet ze op eens wat er gaande is. Ze begrijpt dat die twee mannen moeten gered worden, en dat ze toch, als ze zóó in dien put blijven, gewisselijk kinderen des doods zijn. En nu is denken en doen bij haar één en in minder dan geöii tijd trekt ze een stuk zeildoek uit huis naar dien j)ut; overdekt er heel de opening meê; en heeft de handigheid, een half mud gort of zoo, dat in de gang stond, in een ommezien over het zeildoek uit te storten; zoodat er niets van den put te zien was, en het al den indruk maakte, alsof daar gort te drogen lag in de zon. En nu, nog eer de snelloopers in het dorp komen, staat die trouwe vrouw, alsof er niets gebeurd was, voor het hek van den tuin, om de snelloopers af te wachten. En ja, waarlijk ze houden even stil, en vragen haar, of ze niet twee mannen voorbij heeft zien komen. Kortweg antwoordt ze, dat die mannen al lang voorbij zijn. En zoo rennen de snelloopers een verkeerden weg in, tot ze het eindelijk opgeven en naar Jeruzalem terugkeeren en David gered is. Dit nu had de Heere gedaan. Hij had het zoo besteld, dat Jonathan en Ahimaaz juist in dien put kropen; dat die put juist hoorde aan een boerin, die zoo trouw aan Davids zaak hing; dat die vrouw er juist zat en het zag; en, toen ze het zag, zoo kloek van raad en daad was; en niet minder, dat ze in zoo hachelijk oogenblik niet van streek raakte, maar kalm en energiek tot op het einde toe kon handelen; en zelfs door geen beving in stem of gelaat verried wat er in dien put school. Nu had David die boerin denkelijk vroeger nooit gekend noch gezien. Ze was een dier stille getrouwen, die door God aan Davids
Toen tuin
;
;
;
;
.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's