Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 80
68
jephtha's dochtek.
gelofte gedaan, en naar die gelofte moet ik u tot iiw dood toe uit de wereld bannen. Ge moet een gewijde des Heeren zijn." Jephtha zelf vindt dat vreeslijk. Voor hem schittert die bezielde, die levenslustige, die boeiende verschijning van zijn dochter; en door zijn ondoordachte gelofte moet hij nu op eens dat tintelende leven uitblusschen die ongekunstelde vreugde in smart doen verkeeren en heel de schoone toekomst afsnijden, die zich juist nu zoo heerlijk voor zijn dochter opende. En wat doet Jephtha's dochter nu? Speelt ze de onnatuurlijke? Zegt ze: Vader, dat is niets. Ook het stille leven der afzondering zal mij lief zijn? Neen, ook in dit ontzettend oogenblik, waarin plotseling heel haar toekomst op dat ééne woord van haar vader voor haar ondergaat, blijkt ze even openhartig als ze levenslustig was. Want, ja, ze mort niet tegen. Integendeel: „Indien," zoo zegt ze, ,gij uw mond opengedaan hebt voor den Heere, zoo doe mij naar wat gij den Heere hebt toegezegd" maar ze voegt er als uit éénen adem bij: „Geef mij twee maanden uitstel, opdat ik met mijn vriendinnen naar een eenzame plaats in de bergen vluchte, en daar den weedom van mijn maagdelijk hart breke." En zoo geschiedde het. Waarschijnlijk in een zomerhuis, dat Jephtha op de nabij gelegen bergen bezat, trok zij zich twee maanden lang met haar beste vriendinnen terug en zocht tot zich zelve te komen, om dien ontzettenden overgang in het leven ook van haar ziel door te maken. Ze had willen trouwen; ze had het rijke leven willen genieten. En nu wierd voor dat alles een gordijn geschoven. Alleen moest van al haar lieven en vrienden af om eenzaam en verze weg laten als een gewijde des Heeren haar leven te slijten. En al zou dit nu voor menig ander dweepziek meisje een ideaal voor haar, voor de levenslustige, vroolijke en toch geweest zijn vrome dochter van Jephtha was het dit lang niet. Voor haar was het 't zwaarste offer dat ze brengen kon. En toch bracht ze het. Haar vader had eenmaal de gelofte gedaan. Dus kon en mocht die ;
;
;
;
;
;
gelofte niet gebroken worden.
En wel
te
morde ze niet, al weende ze bitterlijk. En toen ging moê, naar de plaats van haar levenslange ballingschap.
zoo
ze,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's