Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 52
50 haar toekomst op dat ééne woord van haar vader voor haar ondergaat, blijkt ze even openhartig als ze levenslustig was. Want, ja, ze mort niet tegen. Integendeel: „Indien," zoo zegt ze,
uw mond opengedaan
hebt voor den Heere, zoo doe mij naar den Heere hebt toegezegd" maar ze voegt er als uit éénen adem bij: „Geef mij twee maanden uitstel, opdat ik met mijn vriendinnen naar een eenzame plaats in de bergen vluchte, en daar den weedom van mijn maagdelijk hart breke." En zoo geschiedde het. Waarschijnlijk in een zomerhuis, dat Jej^htha op de nabij gelegen bergen ])ezat, trok zij zich twee maanden lang met haar beste vriendinnen terug en zocht tot zich zelve te komen, om dien ontzettenden overgang in het leven ook van haar ziel door te maken. Ze had willen trouwen; ze had het rijke leven willen genieten. En nu wierd voor dat alles een gordijn geschoven. Alleen moest van al haar lieven en vrienden af om eenzaam en verze weg laten als een gewijde des Heeren haar leven te slijten. En al zou dit nu voor menig ander dweepziek meisje een ideaal voor haar, voor de levenslustige, vroolijke en toch geweest zijn vrome dochter van Jephtha was het dit lang iiiet. Voor haar was het 't zwaarste offer dat ze brengen kon. En toch bracht ze het. Haar vader had eenmaal de gelofte gedaan. Dus kon en mocht die gelofte niet gebroken worden. En zoo morde ze niet, al weende ze bitterlijk. En toen ging ze, wel te moê, naar de plaats van haar levenslange ballingschap. „gij
wat
gij
;
;
;
;
XXHL /IRanóacb's x>touw. daar was een man van Zora, uit het geslacht eens Daniets, wiens naam was Manóach en zijne huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet. Richt. 13 2.
En
;
:
In het tijdpei'k der Richteren trekt ook de vrouw van Manóach de aandacht. Ze verkeerde in het geval van Sarah en Hannah en vormt met deze het drietal uit Israëls oudste geschiedenis, dat eerst de bange gekrenktheid en droefheid der ziele door hd kinderlooze van heur staat hebben gekend, en daarna, op een bijzondere aankondiging van Gods wege, zich in rijke moederweelde gebaad hebben. Izak, Simson en Samuël zijn de drie mannen Gods, die aan deze worsteling van het moederlijk geloof hun geboorte danken. ;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's