Als gij in uw huis zit - pagina 277
265 Alles
waar
hart aan hing, ontglipt hem, en de wereld, waarin lacht hem ten slotte uit, en dringt hem eerst
zijn
leven
zijn
hij
zocht,
op zijde en dan in den hoek, tot hij ten leste als een last des levens nog een eind weegs wordt meegenomen, en dan uitgestooten in het graf. achter het doffer geworden oog, de vonk van hemelsch onzen oogappel mag glinsteren, dan maakt God ons dien ouden dag zoo heel anders, zoo veelszins rijk, een gestadige verkwikking der ziele. Een bloed, dat minder jaagt, en daarom gestild die storm van drift en hartstocht, waarmee in vroeger jaren zoo hard en zoo bitter voor
Maar
hcht
als
in
Gods aangezicht
De zonde
te
worstelen
viel.
maar toch
als vrucht van veel Godzalige en rijke zielservaring, lichter tegengestaan, en het gevaar van door Satans listen verrast te worden, zoo aanmerkelijk minder. Losser van het aardsche goed, en in het eigen ik minder prikkelbaar. Daardoor kalmer van aard en rustiger van zin. Gelijkmatiger van dag op dag. Meer gewend aan het kruisdragen, en daarom onder het kruis niet zoo licht meer bezwijkend.
w^el nasluipend,
oefening
Woord
In het
zijns
Gods dieper
ingeleid,
meer
thuis in zijn heilig-
heden, de ziel meer aan de stille wateren zijns heils gewend. Zoo achter den Goeden Herder aan gaande, door zijn stok en door zijn staf vertroost. Inniger in Gods verborgen omgang genietende, zijn zalige gemeenschap minder verre, en langduriger verkeerende in de tente zijner Goddelijke tegenwoordigheid. Daarom door Gods volk gekend, door de zijnen inniger geliefd, niet verlaten, maar om wijzer raad gezocht, en om den vrede die van hem uitstraalt gemind door al wiens hart naar het eeuwige uitgaat. En onderwijl met den dag helderder turende in de eeuwigheid, naar het vaderland daarboven steeds onweerstaanbaarder getrokken en reeds nu voorsmaak genietende van wat het daarboven bij zijn Jezus, in de vergadering der volmaakt rechtvaardigen, in de ongestoorde gemeenschap zijns Gods eens zijn zal. ;
;
o, Wien het door Gods vrije gunste gegeven is, aldus oud te worden, voor dien heeft ook die oude dag een heilig schoon, dat hij om niets voor een terugkeer naar de dagen zijner jeugd zou willen
uitruilen.
Wie van
zóó
oud mag
zijn,
blijft
ook, als de grijsheid daar
is,
jong
hart.
Die voelt wel, dat de uitwendige tabernakel dezes levens wordt afgebroken, maar het leven daarbinnen neemt in hem niet af, maar Hij merkt het dat hij wel verre toe, wordt niet armer, maar rijker.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's