Als gij in uw huis zit - pagina 239
227 ons hart zulk een weerklank, overmits het sterven in verreweg de meeste gevallen door ziekte of krankheid wordt ingeluid, en althans bij eenigszins aangrijpende krankheid, zoo door den lijder, als door wie om zijn ziekbed staan, zoo diep gevoeld wordt, hoe in dat aantasten van meer dan zijn lichaam, niet een natuurlijk verloop, maar een verstoring van zijn natuurlijk bestaan plaats grijpt, het indringen in hem van een macht van buiten, die het op zijn leven toelegt. Vooral het feit, dat niet allen ziek worden, sluit bij krankheid alle besef van natuurnoodwendigheid zoo beslist uit. Bij den dood hebben we te doen met een lijden, dat vroeg of spade een tegelijk overkomt, maar ziekte grijpt den eene aan om den andere te sparen. Er zijn kranken, die bijna hun levenlang het leed der krankheid te dragen hebben, maar tegenover deze ongelukkigen staan sterke naturen, die tot hun sterven toe nooit op het ziekbed nederlagen ; en het is juist dit ongelijke lot, dat bij ziekte althans zelfs aan den dweper met de natuurwet het zwijgen oplegt. Krankheid kan nooit het door God in zijn schepping gewilde zijn. Krankheid moet, buiten Gods oorspronkelijk bestel, in de zonde haar oorzaak vinden. Hoor maar wat u de profetie getuigt van de heilige stad waarin geen zonde meer zijn zal. Omdat er geen zonde in zal wezen, daarom zal er ook geeii inwoner meer zeggen : Ik ben ziek, want, zoo spreekt de Heilige Israëls, het volk dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.
„Krankheid"
en „dood", hoe na verwant ook, zijn dus daarin onderscheiden, dat de dood aller is, de krankheid sommiger. Dit springt vooral in het oog, zoo we „krank" nu in zijn wijdsten omvang nemen, en er dus niet alleen teringlijders, kankerzieken enz. rnaar ook Minden en dooven onder verstaan. Bijna een ieder ziet en hoort, en alleen een zeer kleine minderheid draagt de bange plage, van óf van het gezicht óf van het gehoor beroofd te zijn, het laatste vaak door stomheid verzwaard. Was nu onze liefde sterk genoeg, zoo zou het indenken van het gemis en het lijden dezer beroofden, ons zelven het leven bang maken, want het is niet uit te spreken, wat een doove mist en een blinde derft. Mist en derft niet maar voor een korte wijle of voor enkele maanden, maar jaar in jaar uit, tot aan zijn sterven toe. En al is het nu, dat de meer eigenlijke ziekten veel uitgebreider terrein beslaan, toch merkt ge wel op, hoe ook het eigenlijk diepe ziek zijn geen regel, maar veeleer uitzondering is. Minder nog in onze beschaafde landen, waar de gezondheid geknakt is, maar zeer klaarlijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's