Als gij in uw huis zit - pagina 122
XXIII.
Ben
ik
mijns
broeders hoedei^?
(broederliefde.)
En de Heere zeide tot Kaïn Waar is Habel, uwbroeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder? Gen. 4 9. :
:
Indien
er
ooit
sprake kan
zijn
van een „gevleugeld woord", dan
komt wel aan Kaïn de droeve eere toe, zulk een de eeuwen tartend woord over zijn lippen te hebben uitgebracht. Schier heel de historie der wereld ligt tusschen hem en ons in, en toch is het of zijn booze uitroep: „Ben ik mijns broeders hoeder?" in meer dan honderd talen overgezet, nog steeds wint in beteekenis, en nog snijdender dan ooit vroeger tot in de binnenkamer van ons hart doordringt. Kaïn was in dien harden, stootenden uitroep zoo stuitend oprecht. De zonde bestond nog te kort op aarde ze kwam pas op en had nog den tijd niet gevonden, om zich in het huichlend gewaad ;
onkenbaar
te
;
maken.
Zooals ze in het vergiftigde hart opkwam, zóó giftig trad ze in het woord naar buiten. Op den naaste toegepast, was de zonde de verstoring der liefde, de verbreking van den band, de verscheuring van allen geestelijken
samenhang. Abel was er, en Kaïn was er, en die beiden waren twee los naast elkaar geplaatste individuen. Zooals de gebergten van Ebal en Garizim
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's