Amendement-Kuyper op de Ongevallenwet - pagina 19
15 h. voor den man, met wien de overledene ten tyde van het ongeval gehuwd was, indien deze zijn kostwinner was, tot zijnen dood of zyn opvolgend huwelijk zooveel als de overledene in den regel tot zijn levensonderhoud bgdroeg, doch niet meer dan dertig percent van haar dagloon;
voor elk wettig kind van den overledene vijftien percent, en dit kind ouderloos is of wordt, twintig percent van het dagloon van den overledene; c.
bijaldien
d. voor elk natuurlyk kind, dat door den overledene wettiglijk erkend was ten tijde van het ongeval, vijftien percent, en, bijaldien dit kind ouderloos is of wordt, twintig percent van het dagloon van den overledene; voor de ouders of bij ontstentenis van deze voor de groote. ouders van den overledene, indien deze hun kostwinner was, zooveel als hij in den regel tot hun levensonderhoud bijdroeg, doch niet meer dan dertig percent van zijn dagloon en wel tot den dood van den langstlevende;
voor elk ouderloos kleinkind van den overledene, indien deze kostwinner was, zooveel als hij in den regel tot diens levensonderhoud bijdroeg, doch niet meer dan twintig percent van zijn dagloon f.
zijn
g. voor de schoonouders van den overledene, indien deze hun kostwinner was, zooveel als hij in den regel tot hun levensonderhoud bijdroeg, doch niet meer dan dertig percent van zijn dagloon en wel tot den dood van den langstlevende; het recht voor de schoonouders op rente houdt eveneens op in de gevallen, bedoeld sub 1 en 2 van artikel 377 van het Burgerlijk Wetboek.
Het bepaalde
in het derde lid
van artikel 22
is
van toepassing.
Artikel 26. Indien
de
in
het
vorige
artikel
sub a bedoelde weduwe een
huwelyk aangaat, houdt zij op rentetrekster te zijn, maar zij ontvangt als afkoopsom harer rente een bedrag in eene van tweemaal hare jaarrente. Deze bepaling geldt eveneens voor den weduwnaar, bedoeld in het vorig artikel sub
h.
Artikel 27.
Een kind of kleinkind trekt de voleindigde zestiende levensjaar.
hem toegekende
rente tot zijn
Artikel 28.
De
renten, toegekend aan de personen, bedoeld in artikel 25, te zamen niet meer bedragen dan zestig percent van des overledenen dagloon, met dien verstande dat de personen, bedoeld in artikel 25 sub g, alleen aanspraak hebben op eene rente, indien de personen, bedoeld in hetzelfde artikel sub a, , c, d^ e en /; de personen, bedoeld sub /", indien de personen, bedoeld sub a, , c, d en e; de personen, bedoeld sub e, indien de personen, bedoeld sub a, , c en fZ, alle hunne volle rente hebben ontvangen. zullen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 114 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 114 Pagina's