Als gij in uw huis zit - pagina 206
194
Of is het niet een waarheid, waarop niets af te dingen valt, dat de milhoenen en nogmaals millioenen onder de kinderen der menschen niets anders dan dat gewone leven hebben, heel hun leven lang in die zeer gewone verhoudingen en zeer geicone bezigheden opgaan, en aan dat extraordinaire nooit toekomen, ja, zelfs niet denken kunnen. En indien nu, waarlijk, dat gewone, stille, huislijke, alledaagsche leven zoo arm, zoo dor, zoo onverkwikkelijk voor ons hart, en zoo leeg aan levensgeluk was, waar bleef dan de Voorzienigheid uws Gods, die toch juist dit, en geen ander, lot voor negentig honderdsten van zijn menschenkinderen besteld en bestemd heeft? En als gij, door uvv smaden van dat gewone en stille en zeer alledaagsche leven, den smaak om er in te genieten bij anderen bederft, zijt ge dan niet wreed, wreed op ergerlijke wijze, daar ge toch volkomen onmachtig zijt, om aan die millioenen en millioenen een ander, een hooger geluk in de plaats te geven? En als dan de Prediker weer zin en smaak voor dat stil en alledaagsch en huislijk geluk poogt te wekken, **herkent ge dan in hem niet den Prediker van het Woord zijns Gods, die wat God in dat gewone leven aan levensgeluk besloot, ook voor u weer poogt te ontsluiten?
„De
godzaligheid
is
een groot gewin met vergenoeging
'^
betuigt de
apostel aan Timotheüs. Let wel op dat woord „vergenoeging". Evenals het woord „genoegen" in iets hebben, komt het van genoeg. Niet alleen in onze taal, maar
ook
in
de grondtaal der Heilige Schrift.
Wie „genoeg" heeft, die is „vergenoegd", en smaakt „genoegen." En die „vergenoeging" brengt u de godzaligheid daardoor, dat ze u gelooven
waarin
doet,
ge
dat
leeft,
God uw
Zijn
maaksel
levenslot bepaalde, dat de levenskring is, dat de arbeid waaraan ge arbeidt,
gegeven roeping is, en dat er alzoo in deze uw existentie, zoo toebedeelde, genoeg voor uw hart moet schuilen, als iiw hart het er maar weet uit te halen. Wie altoos iets anders zoekt dan hij heeft, een ander huis wil hebben dan waarin hij woont, een ander kleed dan wat hij draagt, een ander beroep dan waarin hij arbeidt, een anderen kring dan
de van
Hem
omdat God
u
ze u
God hem
geplaatst heeft, die voelt in zijn, hart ten slotte tegen dat huis, dat kleed, dat beroep, dien levenskring. Die wordt er gmelijk en wrevelig tegen. Die is buiten staat dit alles te waardeeren, en^ buiten machte, om er het betrekkelijk goede uit te halen. Hij haalt er gif uit, en kan er geen honig uit puren, omdat hij allemaal distelen om zich heen ziet, en nergens bloemen. Maar wie er cmgckeerd tegenover gaat staan, wie denkt en weet:
waarin
iveerzin
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's