Amendement-Kuyper op de Ongevallenwet - pagina 64
58
De
verlangde wijziging is aangebracht. Tegen het bebestaat geen bezwaar, omdat art. 67 het recht van weigering beperkt. Art.
2.
houd van
„Ican"
Aan het bezwaar dat het in het tweede lid van art. 2 Art. 'oQ. bedoelde recht niet aan den werkgever, maar aan de Bedryfsvereeniging wordt toegekend, is te gemoet gekomen. De cijfers van het eerste lid zijn eenigszins verlaagd, in verband met het besprokene in § 4 en 6, en tevens tweeërlei andere combinatie die even deugdelijken waarborg van soliditeit oplevert, toegelaten.
Wat
onder
„vaste
werklieden"
te
verstaan
zij,
is
op andere
wijze geregeld.
De
uitzondering op de lijst der bedrijven in art. 11 is vervallen. verband met de alleszins juiste bedenking op art. 67 dat art. 88 bij de oprichting eener Bedrijfsvereeniging nog geen uitkomsten kan opleveren, is de bepaling van het gemiddeld aantal vaste werklieden voor de opgave bij de oprichting geëischt onafhankelijk van art. 88 geregeld. Voor ondernemingen die nog geen kalenderjaar oud zijn, is bovendien eene afzonderlijke bepaling ingevoegd. In
Aan
de eerste opmerking in de Nota der Regeering ook in het Kamerverslag voorkomt, is reeds door wijziging van art. QQ te gemoet gekomen. Voor „verzekeringsplichtige bedrijven" is èn in dit èn in het voorafgaand artikel „verzekeringsplichtige ondernemingen" geschreven. „Bedrijven" was gekozen, omdat er ondernemingen zijn, die meerdere bedrijven uitoefenen. Onder deze kunnen er zijn, die niet op de lijst van art. 11 voorkomen. Hij meende daarom dat het rationeeler was, werklieden bij de laatstbedoelde bedrijven, voor het quantum in art. 'oOi geëischt, niet in de berekening op te nemen. Nu echter uit de opmerking der liegeering blijkt, dat dit haars inziens geene bedenking baart, kan het beginsel van art. 4, 2de lid, ook hier zijne toepassing vinden. De opgave van het loonbedrag onderscheidenlijk voor vaste en losse werklieden scheen niet te mogen ontbreken met het oog op de te storten waarborgsom. Nu deze anders geregeld is, verviel hiertoe de noodzakelijkheid. Aan de vereischten van art. 71 kan naar de letter voldaan zijn maar op eene wijze, die geen doel treft. Een criterium is hier niet aan te geven. De Uitvoerende Macht moet hier zelfstandig oordeelen, met name wat in de te maken bepalingen de belangen der werklieden betreft. Een model van statuten bij algemeenen maatregel van bestuur te laten vaststellen, zou de zaak toch op uitvoerend terrein laten, en tegen het voorsclirijven van zulk een te volgen eenvormig model zou bij de zeer uiteenloopende verhoudingen, die zich in eene bedrijfsvereeniging kunnen voordoen, ernArt.
op
dit
67.
artikel,
die
bedenking rijzen. Dat op wijziging van de goedgekeurde Statuten nadere goedkeuring behoort te worden aangevraagd, scheen door het zevende lid buiten twijfel gesteld. Ten overvloede is de bepaling van art. 8 der wet van 22 April 1855 (Staatsblad n», 32) thans als aanhef stige
voor
dit lid geplaatst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 114 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 114 Pagina's