Als gij in uw huis zit - pagina 201
189
maar
juist daarom straks in de eenzaamheid teruggekeerd, te bitterder schreien zal in de angsten en bangheden die zijn ziel vervaren. Ook uw omgeving doet zooveel af. Als een liefde u omringt, die op u merkt, die uw lijden ziet en ondervangt, klemt de benauwdheid zooveel minder bang, dan wanneer er geen oog is dat medelijden met u heeft, en soms nog hardheid en verwijt u ontmoet, als om den reeds zoo vollen beker nog te doen overloopen. Natuurlijk, God de Heere iveet dat alles, en als geen men.schelijk oog medelijden met ons had, heeft daarom toch onze God ons pad gekend, op ons gemerkt, en, zonder dat wij het wisten, genade en vertroosting naar ons uitgezonden. Wie meet af de barmhartigheden van onzen medelijdenden Hoogepriester, die in alle ding gelijk wij is verzocht geweest? Wie zal zeggen, hoe dicht Gods engelen, door Hem ons toegezonden, bij ons staan, om in zulke oogenblikken de wanhoop uit ons hart te bannen, de vertwijfeling van onze ziel te weren? Nooit, nooit, zijn we alleen, en de schrikkelijke uitkomst, als in zulke doodsbenauwdheden het ongeloovig hart het niet meer kon uithouden, en dan de hand aan zichzelven sloeg, is altoos een miskenning van de ontfermingen onzes Gods geweest.
Ook in zijn Woord zijn de ontfermingen onzes Gods met de zielsbenauwden zoo verrassend groot, en wie ooit de moeite nam, om elkander af te lezen, wat de Heilige Geest in dat Woord tot de benauwden en van de benauwden en ovei^ de benauwdheden onzer ziel zegt, zou vooraf niet geloofd hebben, dat God de Heere zich zoo telkens en zoo gedurig en op zoo indringende wijze met den verlaten mensch in zijn benauwdheden zou hebben beziggehouden. Het diepste gaat dat wel, als er staat: „In al zijn benauwdheden was Hij benauwd,'' vooral als er dan bijstaat: „Door den Engel zijns aangezichts heeft Hij hen behouden door zijn liefde en genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam ze op en Hij droeg ze als in de dagen vanouds". En dat dit waar is, ondervond en weet nog, wie in zulke oogenblikken van benauwdheid, als het water tot aan de lippen kwam, van zichzelf en van alle creatuur afzag, om zich eeniglijk op zijn God te wentelen. Wie dat deed, ervoer het nog als Jesaja in de dagen vanouds, dat de indringende vertroosting des Heiligen Geestes in zulke oogenblikken zoo teer en overvloedig kan zijn, dat het is, alsof wij de benauwdheid van onzen God om onzentwil in ons eigen zielsbesef mee doorleven. Het is zoo onuitsprekelijk teeder, dat Hij in al onze benauwdheden benauwd is om onzentwil; als dan de Heilige Geest bidt in ons, omdat wij niet meer bidden kunnen, en Hij die de harten doorzoekt, de meening des Geestes verstaat, en ons vertroost en balsem druppelt in de wonde van ons hart. achter
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's