Als gij in uw huis zit - pagina 210
198 teederen,
merken
hun
die
verdriet
opkroppen,
en
er
met opzet
niets
van
laten.
Op den schijn moet ge hier dan ook niet afgaan. Er is zooveel opwinding, zooveel gemaakte luidruchtigheid, zoo menige mond die lacht, als de klacht naar de lippen dringt. Ook
God
heeft
onuitputtelijke
uit
bron van
genade in on^ menschelijk hart een schier stille hope en levensmoed doen ontspringen,
weer over de teleurstelling triomfeert. is zelfs wat ons Huwelijksformulier zoo somber ernstig aan bruid en bruidegom toefluistert: „Aangezien de gehuwden meestal velerlei kruis in dit leven is overkomende", gemeenlijk veel meer innerlijk waar, dan de bloementaal, die op elk bruiloftsfeest van die telkens
Maar anders
enkel liefde en louter vreugde profeteert. Als men jong is gelooft men dat niet, en de ouderen doen dan ook verkeerd, als ze den last van hun moeite reeds aan de jongeren willen opleggen. De plante zou nooit in volle kroon haar stengels kunnen opbuigen, zoo ze van meet af dien vollen last te dragen had. Dat ziet ge wel aan zoo menig kind, dat te vroeg door leed en teleurstelhng gedrukt, geknakt werd eer het zich kon ontplooien. Maar al hebben de jongeren nog uitstel, tot afstel van „de moeite en het verdriet" komt het maar bij zeer enkelen. En de regel blijft, dat de doornen en de distelen des levens een ieder op zijn beurt de voeten verwonden, tot ook hij zijn spoor op het pad des levens met zijn bloed en zijn tranen geteekend heeft.
En
juist
Vader Hij
die
daarom is het zoo Goddelijk zalig vertroostend, als onze de hemelen is, ons in zijn Woord betuigen komt, dat
in
op ons nederziet in Goddelijk erbarmen, en
al
onze moeite en al
ons verdriet aanschouwt. Natuurlijk geeft dat niets voor den uitwendige en den oppervlakkige,
van den „verborgen omgang" kent. Zulk een weet er bij ervaring niets van, wat het zegt, de verborgenheid des Heeren boven zijn tente te zien zweven, en beurtelings zelf te vluchten in zijn Burcht, zijn Rotssteen en zijn Hoog Vertrek. Voor hem is alles plat, gelijkvloersch, en binnen de enge perken van zijn bekrompen horizont besloten. Ook al belijdt zulk een nog, dat er een God bestaat, die God leeft niet voor hem, en hij niet voor dien God. God is voor hem een naam, een klank, een term, maar geen volzalige Wezenheid, en veel min een Fontein van alle goed, een Springader des eeuwigen levens. die niets
Maar
als ge, uit eigen stille zielservaring, bij het lezen des
Woords,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's