Als gij in uw huis zit - pagina 257
245 voering als een eigen insnijding in den loop der eeuwen ons den smadelijken val van het eens zoo roemruchtig geslacht aanduidt. Zoo ontvangt ge den indruk, alsof al wat achter Abraham ligt, alleen strekte om Abraham er te doen komen alsof al wat tusschen Abraham en David schuilt, geen ander doel heeft dan om David voort brengen en alsof al wat voor, in en na David kwam, slechts te als schaduw dienst doet, om het licht in den Christus Gods te doen doorbreken. Zelfs heeft de Evangelist er lust aan, hierin zekeren rhytmus te brengen. Van Abraham tot David waren veertien geslachten. Daarom nu noemt hij uit Juda's koningen er ook slechts veertien op. En evenzoo veertien nazaten van Jechonia na de Babylonische ballingschap. De poging om het heilige zevental dubbel te nemen, is hier te doorzichtig om nog aanduiding te behoeven. En blijkbaar wil de Evangelist ons doen gevoelen, hoe de stroom van deze heilige geslachllinie zich met drie breede golfslagen gelijkmatig van Abraham tot den Christus voortbewoog. Alles strekkende, om te toonen, hoe in deze opeenvolging van geslachten niet de individuen die de één op den ander volgen, maar Gods bevel en raad met deze personen de historie maakt. ;
;
En vraagt ge, in welk licht de Evangelist nu dit Boek des geslachts voor ons plaatst, dan luidt het antwoord Waarlijk niet in het licht van menschelijke grootheid. Dat ziet ge aan drieërlei. Vooreerst aan de vermelding van Thamar en van „haar die Uria's :
vrouw was geweest." Niet één grootsche, machtige daad wordt van Abraham of Jacob, van David of Salomo vermeld. Van al wat den mensch verhoogen kan, zivijgt dit Boek des geslachts geheel. Maar wat wel staat opgeteekend, zijn twee ontzettende menschelijke zonden. Geheel in overprofetie die straks volgt, dat de Christus komen volk van zonden te verlossen. En nu wordt niet de kleine zonde van een vergeten koning, maar wel de schrikkelijke afdoling van een Juda en de gruwelijke val van koning David nogmaals door dit Boek des geslachts vereeuwigd. Zelfs wordt Bathseba's naam niet genoemd, maar heur gevaarlijke
eenstemming met de
zou
om
zijn
persoon aangeduid als de verleidelijke „die Uria's vrouw geweest was." Ten tweede merkt ge de menschelijke kleinheid van dit geslacht aan de vele, nagenoeg ganschelijk onbekende namen, die er in voorkomen. Eilieve, wat w^et ge van Esrom en Aram, wat zeggen u Azor en Achim? Wat belofte van grootheid voor den Christus ligt er in die reeks van mannen, die gekomen en gegaan zijn, ons weinig
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's