Als gij in uw huis zit - pagina 126
114
Zonder dien heiligen plicht der herbergzaamheid zou in die dagen de reiziger van dorst bezweken of des nachts een prooi van het wild gedierte zijn geworden. Zulk een aan een ieder verschuldigde gastvrijheid was toen onmisbaar om het verkeer onder menschen en de menschelijke samenleving in stand te houden. Jehova zelf heeft in de verschijning bij Mamré dezen duren plicht geheiligd, en toen Eliphas aan Job een der in Abrahams tente schrikkelijksle zonden poogde te verwijten, waarom Gods wrake over hem was gekomen, beschuldigde hij hem niet het minst hierin, dat Job allicht den armen, moeden reiziger had afgewezen, om alleen den aanzienlijken man in zijn tente te ontvangen. En toen 's Heeren volk zich in Kanaan gevestigd had, kwamen er wel voor tenten van doek en van vellen, huizen van steen en hout, maar de plicht der herbergzaamheid bleef dezelfde. Zelfs nog in de dagen, toen Jezus op aarde omwandelde, gingen zijn twaalf discipelen heel het land door, en namen ze bij hun geheel onbekende personen hun intrek. Ja, zoover gaat onze Heiland, dat hij in zijn aangrijpende rede over het laatste oordeel, het niet herbergzaara zijn zelfs als grond van veroordeeling op den voorgrond plaatst, zeggende: „Ik ben hongerig geweest, en dorstig en een vreemdeling, en gij hebt mij niet geherbergd, mij niet te eten en niet te drinken gegeven." En zoo was het gansch natuurlijk, dat ook de apostelen des Heeren herhaaldelijk dien plicht der herbergzaamheid aan de verlosten des Heeren op het hart bonden. Paulus, toen hij aan die van Rome schreef: „Tracht naar herbergzaamheid", en straks aan de Hebreen: „Vergeet de herbergzaamheid niet". En evenzoo Petrus, toen hij, merkende hoe de herbergzaamheid aan sommigen tot een last begon te worden, zoo met nadruk verordende; „Zijt herhergzaam jegens elkander, zonder murmereereny
Ook van dezen heiligen om 's Heeren ivil.
plicht
nu
eischt
Gods Woord, dat ge u kwijten
zult
gij dit aan een mijner minste broederen gedaan hebt," sprak Heiland, ^zooveel hebt gij dit aan wij gedaan.^'' De wereld durft zeggen: „Ongenoode gasten zet men buiten de deur", maar in Gods Woord wordt het u zelfs tot zonde aangerekend, indien ge ja, den vreemdeling dan wel voorthelpt, maar het doet met
„Zooveel
uw
wrevel
in
uw
hart, al
murmereerende.
Niet alleen uw vrienden en bekenden, die u wedervergelding kunnen doen, maar de geringen en behoeftigen wil Jezus dat ge aan uw tafel zult noodigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's