Als gij in uw huis zit - pagina 49
37 den herfst is de uitdrukking van zijn leven niet. Hij doorleeft dat najaar als een noodzakelijkheid die niet te ontgaan is, maarniet een lust. Omdat de lente nog in zijn eigen hart zingt, kan de als
van
hem
het lied zijner ziel niet accompagneeren. in het afgaan uwer dagen, dunt zich uw haar op uw hoofd, gelijk het loover in de kroon van den eikeboom, dan is uw indruk juist omgekeerd. Ook dan verkwikt u de lente nog wel, maar meer als een voorbijgegane weelde, die vreemd over u komt, en in uw element zijt ge eerst als de bladeren gelen, om straks af te vallen. Die herfst is dan voor u het zinnige jaargetijde, dat met uw eigen leven en toestand overeenstemt. En meer dan van lente of zomer, gaat er van den herfst een sprake tot u uit, waarop vanzelf de echo w^erkhnkt uit uw eigen gemoedsbestaan. Ja, zooals ge in den herfst dien val voor oogen ziet, zoo gaat het feitelijk in uw eigen leven toe. Ge zijt kind, en zijt jong geweest; ook is de zomer van uw leven gekomen; maar nu takelt het af. Niet plotseling, maar ongemerkt en langzaam. Het oog ziet zoo scherp niet meer, uw bew^egingen zijn minder vlug en lenig. Ge zoekt een plaats om te zitten, waar ge vroeger, als ge zitten moest, verlangdet om op te staan. De geest bot minder welig uit. In wat eertijds u genot schonk, hebt ge geen smaak meer. Kalmer vliet u het eens zoo jonge bloed door de aderen. Ge voelt, hoe het gelen van het blad in de natuur beeld is van uw eigen verwelken. En dat duurt dan tot de wind zich verheft, en de najaarsstorm in ongeval of krankheid door uw takken komt jagen. En dan valt ook bij u het blad en het loover begint doorzichtig te worden. En telkens en telkens zegt het u, dat ge uit het tijdperk der verwelking in dat der slooping zijt overgegaan. Tot dan eindelijk die laatste herfstdagen komen, die u straks in den winterslaap zullen overleiden, die koude bange dagen, waarvan de Prediker zong: „Als de wachters des huizes (d, z. de handen) zullen beven, en de sterke mannen (d. z. de beenen) zich zullen krommen, en de maalsters (d. z. de tanden) zullen stilstaan, en die door de vensters zien (d. z. de oogen) zullen verduisterd worden. Ook wanneer de twee deuren naar de straat (d. z. de ooren) zullen gesloten worden, en ge zult vreezen voor de hoogte, en er verschrikking op uw weg zal wezen, en de amandelboom (d. i. het grijze hoofd) zal bloeien, en ge als een sprinkhaan uzelven ten last zult wezen. Want de mensch gaat naar zijn eeuwig huis, en de rouwklagers in de straten zullen omgaan." Dan, als het zoo met u is, loopt ook de herfst van uw leven ten einde, om op uw sterfbed den winter over u te doen komen. Wel hem, die in zijn Heiland door het geloof geborgen, weet dat voor hem na dien winter de lente aan den eeuwigen morgen daagt.
herfst
Maar
zijt
in
ge
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's