Amendement-Kuyper op de Ongevallenwet - pagina 53
47
passende op een werkgever, die uit eene Bedrijfsvereeaiging treedt, toont, dat hij voor de Bank volkomen gelijk staat met een werkgever, die eene nieuwe onderneming opricht, en als zoodanig zich voor het eerst aanmeldt. Alleen toch de risico beslist, en deze droeg voor hem dusver de Bedrijfsvereeniging, en zij gaat eerst met den dag van zijne uittreding uit de Vereeniging op de Bank over. Vandaar dat hij eerst van dien dag af premie aan de Bank verschuldigd wordt; premie zonder meer. Alleen zou nog de vraag kunnen rijzen, of hij dan toch niet te betalen heeft in het zonder bijdrage zijnerzijds gevormde reservefonds. Doch ook deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Elke soliede verzekeringsmaatschappij heeft terstond na hare oprichting een reservefonds gevormd, zonder dat zij er aan denkt, hem die daarna een polis verkrijgt, voor zijn aandeel in dat reservefonds na te laten betalen. En zulks om de afdoende reden, dat bij premiemaatschappijen aan den polishouder geen aandeel in dit fonds toekomt, en het stichten van het reservefonds het uitsluitend karakter bezit van een fiscale voorzichtigheidsmaatregel, om dat deel van onzekerheid te dekken, dat de beste verzekeringsstatistiek nooit geheel kan opheffen. Het geheele denkbeeld alsof door zyn amendement een privilegie voor de grootere industrieelen zou worden in het leven geroepen, meent ondergeteekende dan ook met beslistheid te moeten afwijzen. Een privilege ontstaat, indien men ongelijke lasten oplegt. Volgens zijn amendement daarentegen zullen aan de werkgevers eener Bedrijfsvereeniging niet alleen geen mindere, maar zelfs nog zwaardere lasten ten bate van hunne werklieden worden opgelegd. Dat nu bij het opleggen van gelijke lasten, de één deze op andere wijze draagt dan de ander, vloeit voort uit oorzaken die buiten de wet liggen, en van het leven onafscheidelijk zijn. Als bij overtreding (zie art. 88) eene boete van driehonderd gulden wordt opgelegd, of hechtenis van drie maanden, zal de Regeering wel niet bedoeld hebben, hiermede een privilege voor de grootere industrieelen te scheppen, als is het volkomen duidelijk, dat voor hen de betaling van eene hooge boete een veel geringer bezwaar oplevert dan voor den kleinen werkgever. Zoo nu ook ligt er in het minst geen door de wet geschapen privilege in, als de grootere industrieel, tengevolge van de meer ontwikkelde organisatie zijner onderneming in eigen boezem voorzien kan in hetgeen de kleinere industrieel, bij gemis van zulk eene ontwikkelde organisatie, alleen door de hulp van een particuliere verzekeringsmaatschappij of door eene Rijksinstelling kan bereiken. Hetgeen hiermede aan de grootere onderneming wordt toegekend is uitsluitend: het recht, om aan de haar opgelegde verplichtingen te voldoen op eene loijze die met de natuur en den aard van de onderneming strookt. Geldelijke voordeden die hieruit mochten voortvloeien, zijn alleen te danken aan de grootere uitgaven, waarop de meer ontwikkelde organisatie van zulk eene onderneming te staan komt. Grootere industrieelen desniettemin te willen noodzaken zich van hunne verplichtingen te kwijten op eene wijze die bij den aard der kleinere ondernemingen thuis hoort, maar die met de natuur van hunne onderneming in strijd is, ware hetzelfde als een landbouwer die eigen gerei heeft, te willen dwingen huurspul te gebruiken, alleen omdat zijn buurman, die niet zelf kan inspannen, paard en wagen fmren moet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 114 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 114 Pagina's