Als gij in uw huis zit - pagina 205
193 Hij is menschenkenner, diep is de blik dien hij sloeg in het menschelijk hart, en nu zag hij bij anderen, en ervoer aan zich zelf, hoe ons hart er toe neigt, om wat ons deel in dit leven is, het ons geschonken lot, het ons toevertrouwd talent niet te achten, en de hand al gedurig uit te steken naar wat meerder, en hooger en ongewoner is. Hij had opgemerkt, wat eindelooze schat van levensgeluk, die door God zijn menschenkinderen gegeven was, daardoor teloor gaat, en het is nu tegen dat moedwillig verwoesten van eigen levensgeluk bij breede klassen van het volk, dat hij opkomt, een iegelijk toeroepende, dat hij toch schik zal hebben in het gew^one, alledaagsche leven, en een oog zal krijgen voor den schat van levensgeluk, die in dat gewone leven inzit. Zoo altoos thuis, zoo nooit afwisseling, zoo dat ordinaire leven, daar ziet elk opkomend jongman, elke opwassende jonge vrouw, o, zoo licht uit de hoogte op neer. Daar is niets aan, dat verveelt, dat maakt dof en suf. Neen, uit dat gewone moet men uit. Buitenshuis moet het gezocht. In het buitengewone. In wat extra, in wat niet alledaagsch is. Zoo roept en dweept men. Tot ten slotte de buit dien men in dat buitengewone vindt, nog bitterder dan het alledaagsche teleurstelt. En men ten slotte, levensmoe, noch in het alledaagsche, noch in het
buitengewone meer smaak heeft. Men had brood, men zocht pasteien. En het eind is, dat pastei en brood beide walging wekken. En tegen die door en door ongezonde levensopvatting komt de Prediker nu op, en roept ons toe, dat juist in het gewone, in het ordmaire, in het alledaagsche, in het huislijke leven, de eigenlijke zenuw voor ons levensgeluk moet worden gezocht, en dat het tegen Gods ordinantie ingaat, en een miskennen van zijn liefde in het alledaagsche leven is, zoo de broodkruimels van het huislijk samenzijn ons steken.
En daarom nu zegt hij: „Ga dan henen^ eet uw brood met vreugde, en drink uwen wijn van goeder harte; want God heeft alreeds een behagen aan uwe werken. Laat uwe kleederen te allen tijde wit zijn, en laat op uw hoofd geene olie ontbreken. Geniet het leven met de vrouwe, die gij liethebt, alle de dagen uws ijdelen levens, welke God u gegeven heeft onder de zon, alle uwe ijdele dagen want dit is uw deel in dit leven, en van uwen arbeid, dien gij arbeidt onder de zon. Alles, wat uwe hand vindt om, te doen, doe dat met uwe macht." En hierop nu zegt nog al wie recht den band van natuur en genade verstaat, van heeler harte Amen. ;
Elke
andere
Gods Voorzienig
van het leven is zoo wreed, en maakt op zoo stuitende wijze te schande.
beschouwing bestel
13
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's