Als gij in uw huis zit - pagina 261
249
Of wie onder ons zou een door den wind afgebroken twijgje oprapen en bewaren, denkende Er zal toch nog wel vrucht aan komen. Jezus sprak met dit te zeggen, dus niets nieuws uit. Veeleer onderstelde hij, dat elk van zijn jongeren het ook wel wist, en er evenzoo :
over dacht.
En het nieuwe kwam er eerst in, toen Jezus dit zeer gewone uit het leven van boom en tak, van wijnstok en rank, nu opeens op zichzelven toepaste, en met andere woorden dit tot zijn jongeren, in hen tot heel zijn kerk, en in zijn kerk tot elk van zijn uitverkorenen zeide „Gij zijt het vruchthout, aan uw twijgjes moet de vrucht uitbotten, zich zetten en rijpen, en dat kan, daartoe zijt ge bekwaamd. Overvloediglijk vrucht voortbrengen, en straks als ze gerijpt is, die :
voor de eere van uw God en voor het heil uws naasten afwerpen, dat kunt gij doen; mits, en dit beding is onverbiddelijk, mits ge met de geestelijke vezelen des geloofs in mij als uw Wijnstok vast blijft zitten. Want, en prent u dit diep in, zijt ge eenmaal van mij losgemaakt, of ook maar afgeknakt, zoodat uit mij u het levenssap ophoudt toe te vloeien, dan rijpt er niet één enkele vrucht meer aan uw twijgje. Zonder het levenssap uit den Wijnstok kan de rank en aan die rank het twijgje niets, volstrekt niets doen."
Ge ziet hieruit, hoe dikwijls dit besliste en aangrijpende woord van Jezus „Zonder mij kunt gij niets doen", mis wordt verstaan. Veelal toch wordt het op zichzelf genomen, los van het verband waarin Jezus het sprak, en dan duidt men het op de Goddelijke hulpe, die Jezus ons in zijn genade moet verleenen, om ons voornemen te doen slagen en gelukken. „Zonder Het krijgt dan geheel gelijken zin, alsof iemand zeide :
:
God kan
ik
niets doen."
Het w^ordt dan verstaan van onze creatuurlijke onmacht en immers niets, niets kan ooit aan het machteloos creatuur gelukken, tenzij de almogende en alomtegenwoordige kracht Gods hem daarbij schraagt en draagt. Zoo wordt dan dat schoone, rijke zeggen: „Zonder mij kunt gij niets doen", opgevat in den zin van het Voorzienigheidsgeloof en schijnt het ons aan te sporen, om bij geen ding het gebed en de smeeking te verzaken, maar bij al wat we ondernemen, de machtige hulpe en den onverwinlijken bijstand van onzen God in Christus in ;
,
te
roepen.
Doch hoe waar hier zegt, niets te
dit
alles
ook
zij,
toch heeft dit alles
met wat Jezus
maken.
Jezus spreekt daar niet van. Hij spreekt van heel iets anders. Niet van uw plannen en voornemens,
maar
uitsluitend
van
uw
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's