Als gij in uw huis zit - pagina 165
153 zondaar na zondaar weg, van wien geklaagd moet, dat hij lange leven, zoogoed als niets heeft uitgevoerd. Dezulken nu wijst Gods Woord op de kleine, nietige mieren, en vraagt dan: „Hoelang zult gij nederliggen, o, luiaard? Wanneer zult gij uit uwen slaap opstaan'? Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende, zoo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man." Dan weet de zondaar wel, dat hij zijn dag van God krijgt, om te arbeiden, maar hij zegt in zijn hart: „Ik zal toch goddeloos zijn, waarom zou ik ijdellijk arbeiden" (Job 9 29) ? Of als hij gearbeid heeft, betuigt hij in zijn zelfzucht: „De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zich zelve, want zijn mond buigt zich voor hem neder" (Spreuken 16: 26). Als er geen brood in de broodkast, en geen geld in de hand is, dan roept en dwingt men om werk; maar als de honger niet steekt, en ons deel gewis is, dan schijnt lediggang verkieslijk, luiheid menschelijke weelde te zijn, en ziet ge zelfs in de eerste Christengemeente zulke nietsdoeners derwijs het leven der gemeente bederven, dat de heilige apostel dreigen moet: „Die niet werkt, die zal ook niet eten." Of elders: „Ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat zoo iemand niet \\ï\ werken, hij ook niet ete; want wij hooren, dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende, maar ijdele dingen doende, en daarom vermanen en bevelen wij den zoodanigen in den naam des Heeren Jezus Christus, dat zij met stilheid werkende, hun eigen brood eten." Niet in het paradijs, noch voor, noch na den val, maar door Christus zelf is het uitgesproken: „Zijn er niet twaalf uren in den dag, zoo laat ons dan werken, zoo lang het dag is, want de nacht komt, waarin niemand werken kan." En zoo staat heel de Schrift tegen het bezig niets doen, waarin zoo menigeen ook onder ons zijn dagen doorbrengt, opstaande en zich kleedende, wat her- en derwaarts loopende en wat keuvelende, wat etende en wat drinkende, wat in het vuur of door het venster glurende, en dan zich w^eer nederleggende, om terug te keeren tot zijn vriend, den langen lieven slaap. God in zijn Woord weet, dat werken een zegen, dat luiheid des duivels oorkussen is, en daarom maant dat Woord altoos van lediggang en luiheid af en prikkelt het tot arbeidzaamheid. Zelfs van de schatrijke huisvrouw in Spreuken 31 heet het: „Zij staat op als het nacht is, en het brood der luiheid eet zij niet." sterft
er
eigenlijk, in zijn
:
Bekeerd of onbekeerd maakt hier dus geen verschil, hier of hiernamaals, te arbeiden is onze heerlijke menschelijke roeping, omdat we geschapen zijn naar het Beeld van Hem, die altijd werkt.
altoos
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's