Als gij in uw huis zit - pagina 182
170
En
dit
zegt de Prediker niet ééns,
„De mensch
terug.
maar daar komt
heeft niets beters onder de zon,
telkens op
hij
dan
te
eten en te
en blijde te zijn, want dat zal hem aankleven voor zijnen arbeid, de dagen zijns levens, die hem God geeft onder de zon," Aan die uitspraak ergert zich en sloot zich menig geestelijk aangelegd vrome, zoowel onder de Modernen als onder de Orthodoxen, al spreekt menig orthodox vromehet, uit eerbied voor de Schrift, niet zoo openlijk uit. Wat Jezus riep: „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden," c?a^ spreekt het drinken
hart, dat God zoekt, toe maar niet die in levensopvatting, die in eten en drinken opgaat. ;
En
den grond zinnelijke
van wat de Prediker dan zou elk kind van God den Prediker moeten tegenstaan, en moest heel dat boek de Schrift uit. Maar zoo is de zin van den Prediker volstrekt niet. Wat de Prediker op het oog heeft is heel iets anders, en iets wat vooral wij, Nederlandsche Christenen, zoo recht goed kunnen verstaan. Hij is menschenkenner, diep is de blik dien hij sloeg in het menschelijk hart, en nu zag hij bij anderen, en ervoer aan zich zelf, hoe ons hart er toe neigt, om wat ons deel in dit leven is, het ons geschonken lot, het ons toevertrouwd talent niet te achten, en de hand al gedurig uit te steken naar wat meerder, en hooger en ongewoner is. Hij had opgemerkt, wat eindelooze schat van levensgeluk, die door God zijn menschenkinderen gegeven was, daardoor teloor gaat, en het is nu tegen dat moedwillig verwoesten van eigen levensgeluk bij breede klassen van het volk, dat hij opkomt, een iegelijk toeroepende, dat hij toch schik zal hebben in het gewone, alledaagsche leven, en een oog zal krijgen voor den schat van levensgeluk, die in dat gewone leven inzit. natuurlijk, icare dit de zin en de bedoeling
zegt,
Zoo ziet
uit
elk
altoos thuis, zoo nooit afwisseling, zoo dat ordinaire leven, daar
opkomend jongman,
elke
opwassende jonge vrouw,
o,
zoo licht
de hoogte op neer.
Daar
is niets aan, dat verveelt, dat maakt dof en suf. Neen, uit dat gewone moet men uit. Buitenshuis moet het gezocht. In het buitengewone. In wat extra, in wat niet alledaagsch is. Zoo roept en dweept men. Tot ten slotte de buit dien men in dat buitengewone vindt, nog bitterder dan het alledaagsche teleurstelt. En men ten slotte, levensmoe, noch in het alledaagsche, noch in het buitengewone meer smaak heeft. Men had brood, men zocht pasteien. En het eind is, dat pastei en brood beide walging wekken. En tegen die door en door ongezonde levensopvatting komt de Prediker nu op, en roept ons toe, dat juist in het gewone, in het
ordinaire, in het alledaagsche, in het huislijke leven, de eigenlijke
zenuw
voor ons levensgeluk moet worden gezocht, en dat het tegen Gods ordi-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's