Amendement-Kuyper op de Ongevallenwet - pagina 45
39 Ondergeteekende blijft het daarom afkeuren, dat de Regeering, het zetten van deze eerste schrede op het terrein der sociale verzekeringen, een voor de gezondheid van ons volkswezen zoo uiterst bedenkelijke richting insloeg, en, dat zij, in weerwil van de ernstige bedenkingen, uit den boezem der Volksvertegenwoordiging daartegen ingebracht, bij het volgen van die richting (except art. 19) volhardt. Hiertegenover machteloos, en voorziende dat de bij
ongevallenverzekering thans of niet, of met het Regeeringsstelsel uitgangspunt, tot stand zal komen, zag hij geen anderen uitweg,
als
dan noodgedrongen in dit gevaarlijke stelsel te berusten, mits daarop dan ook zoodanige uitzondering werd toegelaten, dat aan hen, die oeconomisch sterk genoeg zijn, om aan de zware eischen te voldoen, die noodweg uit het Regeeringsstelsel voor alle zelfstandig optreden moeten voortvloeien, de mogelijkheid daartoe ontsloten werd. Toen nu de Regeering op bladz. 10 van hare Nota van Inlichtingen (n». 6) zelve de voordeden van zulk eene uitzondering in het licht stelde, en de voorwaarden omschreef, waaraan zulk eene uitzondering op het stelsel haars inziens zou te binden zijn, maar nochtans bij het mondeling overleg overwegende bezwaren bleek te hebben, om hiertoe zelve het initiatief te nemen, scheen het op den weg te liggen van die leden der Kamer, die tdt beginsel het opnemen van zulk eene uitzondering noodzakelijk achtten, om voor de ernstige moeilijkheid, die aan het ontwerpen van een daartoe strekkend amendement uiteraard verbonden was, niet terug te deiuzen.
Vandaar het onderhavig amendement. § 2. Dat de Oostenrijksche Versicherungsanstalt „volkomen {sic) het karakter draagt der voor Nederland voorgestelde Rijksverzekeringsbank" (Nota, stuk 28, bladz. 3) kan kwalijk aan de Regeering worden toegegeven. Wijdloopige weerlegging van dit beweren zou hier intusschen te ver afleiden. Volsta daarom de korte opmerking, dat door hem in stuk no. 17 met geen woord was gezegd, dat de Oostenrijksche Anstalten gewone privaatrechtelijke vereenigingen, met ledenvergaderingen, waren. Slechts was er door hem op gewezen, dat, volgens § 10 der wet van 28 December 1887, èn de werkgevers èn de werklieden stemgerechtigde leden der Anstalt zijn, en dat volgens § 12 het bestuur van deze Anstalten voor twee derden door deze leden wordt gekozen. Hetgeen de Regeering daarentegen voorstelt is een Bank, die over de werkgevers en werklieden gesteld wordt, waarvan zij geen leden zijn, ten opzichte waarvan zij geen stemrecht bezitten, en welker bestuur geheel buiten hen om door de Overheid benoemd wordt. En wel zullen in den Raad van Toezicht, ingevolge de later aangebrachte wijziging, dan nu óók werkgevers en werklieden zitting hebben, maar evenzoo van OverJieidsivege benoemd. Van verJdezing door belanghebbenden bestaat schijn noch schaduw. Metterdaad zou het eéne niet onbelangrijke aanwinst zijn, indien de Regeering zich alsnog bereid verklaarde, het karakter van de voorgestelde Rijksverzekeringsbank ten deze aan dat der Oostenrijksche Anstalten gelijk te maken. Het verschil in karakter van beide instellingen komt in niets zoo scherp uit als in het feit, dat de bedoelde bank een van Overheidswege aangesteld bestuur zal hebben, met een Raad van Toezicht, waarin ook belanghebbenden zitting zullen erlangen, terwijl
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 114 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 114 Pagina's