Als gij in uw huis zit - pagina 30
18
en in weken, maar ook in dagen, en die dag nogmaals in een avond en een morgen uiteen is gebroken, dringt en prikkelt God de Heere u slag op slag, om uw leven in te denken, over uw leven na te denken. Waarom leef ik? Waarom besta ik ? God geeft mij mijn leven, mijn tijd, mijn dag, mijn morgen en mijn avond toch niet zonder doel. In die lange nachten doet Hij aan u het wondere werk, om u opnieuw kracht toe te brengen, uw hoofd te verfrisschen, uw hart rustig te stemmen, u te ontlasten van zorg en druk. In den nacht verrijkt Hij u. Niet slechts op het land, waar Hij 's nachts uw tarwe laat groeien, maar ook in uw eigen persoon, in uw bloed, in uw zenuwen, waar Hij 's nachts nieuwe kracht in uitstort. En evenzoo in uw denkend en willend leven, in uw innerlijk zielsbestaan, en in uw genadeleven, waarin Hij, bij wien geen verandering is noch schaduwe van omkeering, ook des nachts, als zijn verborgenheid over uw tente is, zijn werk aan u en in u voortzet. En nu wordt ge wakker. Ge ontwaakt. Nu hebt ge weer kracht. Ge zijt niet alleen uitgerust, maar ook toegerust. Wat nu? Wat zal nu de vrucht van dien langen dag zijn? En w^at is de roeping, de taak, waartoe ge u opmaakt? Zoo vraagt de Heere u als het weer morgen is, en als straks de dag is omgevlogen, komt die stille vrager nogmaals, en onderzoekt u, en dwingt u om terug te zien op het afgelegde pad. Nu niet: „Wat maar: „Wat deedt ge?" Is de taak, waartoe God zult ge doen?" U riep, voleind?
—
En wat
is
dan de uitkomst?
Zou het niet zijn, dat, o, zoo velen klagen moeten, dat niet de helft van hun dag besteed is, en dat de andere helft is verpraat, verkwist in beuzelingen en verdaan? Dat men zoowel enkele vaste dingen die voor zijn rekening kwamen, afdeed, maar meer uit gewoonte, of omdat ze zoo voorkwamen, maar zonder dat er nog een spoor te ontdekken viel,
met
dat ge iets van uw leven begreept, iets afwist van het woekeren uw tijd, of ook maar iets verstondt van wat het is, uw dagen
te tellen, dat ge een wijs hart bekomt? Helaas, zoovelen, als ze sterven, hebben bijna vergeefs geleefd. Van wat het is, in zijn leven iets uit te voeren, hebben ze nooit het stil geheimenis verstaan. En als ten leste hun levensdraad is afgesponnen, doen ze u denken aan een palmboom in de woestijn, wiens vrucht nooit nut kon doen, omdat er niemand was, die die vrucht geplukt heeft. Hun leven is er wel geweest, de krachten waren er wel, maar die kracht is niet gebruikt, dat leven niet aangewend. Het is alles verkwist
zóó
en
verspild.
En
dit
nu
is
niets
minder dan een levenszonde.
Een verzondigd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's