Als gij in uw huis zit - pagina 193
181
den bodem van het harl woelt erger nog, een spotten met den ernst, dien het leven, met zulk een hart en te midden van zulk een ellende voor het aangezicht des Heeren, in ons wakker roept'. ;
Wil dit nu zeggen, dat daarom elke lach u thans misstaat, en dat met een strak en stug gelaat eiken lach in den huiselijken kring Ie ontwapenen, eisch van vroomheid is? Integendeel. Heilige Schrift zegt toch uitdrukkelijk, dat er een tijd is van weenen, maar ook dat er is een tijd om te lachen (Pred. 3 4). De lach is en blijft u alzoo gegund. De lach in het gewone leven om wat aardig is. De fijne lach om wat u door geestigheid boeit. De lach der vriendelijkheid waarmee ge uw naaste in het oogstaart. De lach der vreugd over u geschonken zegen. Zelfs de heilige lach waar-
De
:
mee
ge innerlijk jubelt in den verborgen
Te bannen behoeft ge den
omgang met uw God.
lach allerminst en als ge de beeltenissen aanziet van de helden onder onze vaderen, die den strijd Gods hebben gestreden, speelt, op hun kloek en manlijk gelaat, de lach steeds door den heiligsten ernst heen. Alleen maar, het lachen heeft wel zijn tijd, maar het mag geen beslag leggen op al uw tijd. De lach mag wel in uw leven inspelen, maar hij mag uw leven niet beheerschen. Hij mag uw verkeer en omgang wel veraangena-
men, maar
Uw
;
er niet den toon in aangeven.
om te mogen lachen moet veroverd doordien ge vooraf toont ook het treuren te verstaan, het treuren over eigen hart en eigen ellende en de ellende om u heen. En
recht
dit nu is het punt, waarop ook bij den lach de zonde insluipt. Minnaars en minnaressen van den lach, maar die dQ droefheid naar God niet kennen en het weenen uit innerlijke aangrijping der ziel nooit hebben verstaan. Jongen en ouden van dagen, die door hun ijdel lachen ongemerkt onder de heerschappij, onder de macht van den lach gekomen zijn, en daarom onvatbaar werden voor hooger en heiliger ernst. Mannen en vrouwen, die uur aan uur saam kunnen zijn zonder dat een verstandig woord over de lippen komt, en die in wat men „gekkigheid en geginnegap" noemt hun dagen slijten. Een kwaad in de bange w^oning onzer krankzinnigen voleind, waar ge soms ontzinden ziet, die aldoor lachen en grijnslachen en schateren, en aan het geweld van dien vreeselijken lach niet meer ontkomen kunnen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's