Als gij in uw huis zit - pagina 184
m Wie „genoeg" heeft, die is „vergenoegd", en smaakt „genoegen.'* En die „vergenoeging" brengt u de godzaligheid daardoor, dat ze u gelooven
doet,
dat
God uw
levenslot
bepaalde, dat de levenskring waaraan ge arbeidt, de van Hem u gegeven roeping is, en dat er alzoo in deze uw existentie, omdat God ze u zoo toebedeelde, genoeg voor uw hart moet schuilen, als uw hart het er maar weet uit te halen. Wie altoos iets anders zoekt dan hij heeft, een ander huis wil
ge
vs^aarin
leeft,
Zijn
maaksel
is,
dat de arbeid
hebben
dan waarin hij woont, een ander kleed dan wat hij draagt, een ander beroep dan waarin hij arbeidt, een anderen kring dan waarin God hem geplaatst heeft, die voelt in zijn hart ten slotte iveerzin tegen dat huis, dat kleed, dat beroep, dien levenskring. Die wordt er gemelijk en wrevehg tegen. Die is buiten staat dit alles te waardeeren, en buiten machte, om er het betrekkelijk goede uit te halen. Hij haalt er gif uit, en kan er geen honig uit puren, omdat hij altemaal distelen om zich heen ziet, en nergens bloemen. Maar wie er omgekeerd tegenover gaat staan, wie denkt en weet: Dat is nu het leven waaruit ik te leven heb, dat zijn de personen uit wie ik mijn kring moet vormen, dat is het huis waarin ik gelukkig moet zijn, dat is de arbeid waarin ik mijn schik moet vinden, die trekt zijn oog van het andere en meerdere af, trekt zijn blik samen op wat hij heeft, en ontdekt nu allengs, hoe er een schat, een altoos
—
grooter besloot,
wordende schal in dat gewone leven maar dien hij er niet in zag.
Vooral
schuilt, dien
God
er in
Nederlandsche Christenen, kunnen dat verstaan, omdat is geworden, om die kostelijke gave van het tot zeldzaam hooge ontwikkeling te brengen. Juist in den bloeitijd van ons geestelijk leven, toen het Calvinisme den toon aangaf, heeft ons Christenvolk zich niet vergaapt aan vreemde of buitengewone dingen, maar er zich op toegelegd, om het huislijk leven, het gewone beroep, den alledaagschen arbeid, de gansch ordinaire levenskringen, zoo rijk mogelijk te ontwikkelen, er smaak en zin voor aan te kweeken, en over te vloeien van lof en dank voor den ongemeenen schat van stoffelijk en geestelijk geluk beide, die juist in dat gewoon menschelijk leven te vinden was. Zelfs vreemdelingen hebben daarom het leven onzer vaderen bewonderd, dichters hebben het bezongen, en kunstenaars hebben het in onzen landaard geroemd, hoe juist het Calvinisme het aanzijn gaf aan die heerlijke, nog heel de wereld door beroemde schilderschool, die meest altijd dat ordinaire leven afschilderde, en er de uitdrukking in tooverde van rijke vergenoegdheid en innerlijken schik. En dat nu de Prediker daarbij telkens het eten en drinken op den voorgrond schuift, is geen feil, maar moet zoo zijn. wij,
het ons bovenal gegeven stille gewone burgerleven
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's