Als gij in uw huis zit - pagina 36
24 er
nooit zoo snerpend, en zat de Jordaan er nooit zóó vast als het
ijs
soms
En
op onze rivieren.
vastzit
wat heeft desniettemin de Schrift ons, kinderen van het noorden, niet veelszins den zin van wat de winter aanbrengt, vertolkt. De sneeuw, die het aardrijk overdekt, is, hoe prachtig ook, toch een toch,
beeld des doods, en het eerst dat de Schrift er u van meldt is in het wit der melaatschheid ^melaatsch, wit als de sneeuiv.'" En evenwel, omdat uit den dood het leven is, wordt diezelfde sneeuw evenzoo beeld van ontzondiging. „Wasch mij geheel, en ik zal witter icezen dan sneeuw die versch op het aardrijk nederviel." Zoo bad David in zijn zielsnood, en Jesaia bracht ons het woord der Goddelijke belofte: „Al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen worden als witte sneeuw.'''' Zoo wordt het sneeuwkleed beeld van hemelsche smetteloosheid. Er zijn ^schatkameren'' waar dat hemelsche blank uit nederdaalt. Wie God kent zal om „geen rotssteen des velds verlaten de sneeuw van den Libanon^'' (Jeremia 18 14). Als de majesteit des Heeren verschijnt, „is zijn kleed ivit als de sneeuw'''' (Dan. 7 9). Dat glanzig wit blinkt aan Gods engelen ais ze bij het geopend graf van Jezus verschijnen. Van den Heiland zelf op Thabor heet het: „Zijn kleederen werden zeer wit als de sneeuw''\ En Johannes op Pathmos heeft hem nogmaals in dat ivitte sneeuwkleed gezien. :
:
Maar ook
sneeuw
is niet alleen het zinbeeld van den dood smettelooze hemelsche reinheid, er is in die sneeuw ook een iverking, met de werking van Gods Woord vergelijkbaar. Ge kent het stuk dat in Jesaia daarvan orakelt: „Want gelijk de sneeuw uit den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert, maar doorvochtigt de aarde, en maakt dat ze voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier en brood den eter, alzoo zal mijn Woord, dat
en
het
in
die
zinbeeld
van
mijn mond uitgaat, ook zijn." Dat is het wat we straks noemden, dat er in den winter een formatie, een schepping, een actie van Godswege schuilt. De winter is er niet maar, neen. God zelf heeft hem geformeerd.
uit
„Wie
bestaan voor Gods koude
?'^
vraagt de Psalmist, en metteralle leven kan doen stukvriezen is ontzettend. Aan noord- en zuidpool is die koude reeds zoo vreeselijk, dat geen menschelijke borst er, als het op het felst gaat, meer adem kan halen. En door neergelegde thermometers heeft men op de toppen der hoogste bergen een koude waargenomen, waarbij alle leven ophoudt.
daad
de
zal
koude
En toch, wat God heeft in de gloed gespeend?
waarmede God
is
zelfs die
koude nog vergeleken
uiterste uiteinden zijner schepping,
bij de koude die aan allen glans en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's