Amendement-Kuyper op de Ongevallenwet - pagina 49
43 verzekerden. Hieraan kan nog toegevoegd, dat zich in Oostenrijk, by geheel gelijke inrichting der Anstalten, gelijksoortig verschijnsel voordoet. In 1896 bedroeg de uitgave voor Gesaramte Verwaltimgskosten in de Anstalt Wien, met ruim 264 000 verzekerden, per werkman, fl. 0,86, in de Anstalt Brünn^ met even 200 000 verzekerden, slechts fl. 0,39 (Zie Amtliche Nachriclden, jahrgang X, n". 18, bladz. 410). Dit schijnt hoofdzakelijk daaruit te moeten verklaard worden, dat de verhouding tusschen nijverheid en land-
bouw een
ongelijke is, en voorts dat de administratiekosten uit deels van omstandigheden afhankelijke uitgaven be•staan. Het bedrag dier wisselende uitgaven hangt goeddeels af van het aantal ongevallen, dat in behandeling komt, van goedkoopere of duurdere geneeskundige behandeling, van afstanden die meerdere of mindere reiskosten veroorzaken, van het meerdere personeel, dat bij grootere uitgestrektheid van het terrein moet worden aangesteld enz. en juist die wisselende uitgaven voor de Bank vallen bij de Bedrijfsvereeniging, ten gevolge van den langeren wachttijd, als anderszins, grootendeels weg. In de Oostenrijksche Bedrijfsvereeniging waren de administratiekosten slechts fl 0,31 per verzekerde. En het is uit dien hoofde, dat de verplichting om Uvee derden der volle kosten te betalen, hoezeer het cijfer altoos iets willekeurigs heeft, genoegzaam waarborg schijnt op te leveren, dat de Bedrijfsvereeniging geen deel der kosten op de bij de Bank deels
vaste,
Eer zou de vraag kunnen van achteren iets te hoog zal blijken. Verhet na opgedane ondervinding dan ook niet onmogelijk blijken, later de bijdrage in de administratiekosten, ter vereenvoudiging van berekening, op een vast jaarlijksch bedrag per verzekerde te stellen. Wat het tweede punt betreft: het niet-overblijven van een genoegzaam aantal verzekerden voor de Rijksbank, dit zou geheel buiten bespreking kunnen blijven, indien de verwachting profetisch bleek te zijn op bladz. 7 van het Kamerverslag en op bladz. 5 van de Regeeringsnota geuit dat ,van de bevoegdheid om zich aan de centrale inrichting te onttrekken zoo goed (ds geen gebruilc zal ivorden gemaakt.'' De ondergeteekende deelt niet in dit gevoelen, maar acht toch van den anderen kant alle vrees ongegrond, alsof ooit de facultatieve Bedrijfsvereeniging het aantal verzekerden bij de Bank beneden het technisch vereischte cijfer zou doen dalen. Hiervan zou dan alleen sprake kunnen zijn, indien men voor de werklieden van elk afzonderlijk bedrvjf het technische cijfer als mi-
opgenomen werkgevers of het moedelijk zal rijzen,
zal overdragen.
cijfer niet
nimum moest aannemen. In
de inleiding op
Ergebnisse
der
zum Zwecke der Revision
G-efahrenclasseneintheilung überprüften TJnfallstatistik der Jahre
der
1890—
1896, p. VI, zegt de woordroerder der Oostenrijksche Regeering, dat eerst bij een aantal van 10 000 verzekerde vaste werklieden, werkzaam in eenzelfde bedrijf, volkomen zekerheid omtrent het percentage der ongevallen ontstaat. Heeft dit nu de Oostenrijksche Regeering er toe geleid, om alleun die categorieën van werklieden te verzekeren, die tot dit minimum van 10 000 voor elk der zeven Anstalten aanwezig waren? Uit het zooeven genoemde officieele verslag blijkt, dat in alle zeven Anstalten samen voor de volgende Betriebsgattungen slechts de 'daarachter geplaatste getallen van
verzekerden aanwezig waren:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 114 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 114 Pagina's