Als gij in uw huis zit - pagina 235
223 scheepke schier immer bij zonneschijn voor wind en tij afdreef, werd toch door den Heiligen Geest zoo krachtig aangegrepen, dat hij den storm die op de zee van buiten uitbleef, in de zee van binnen op bange wijze heeft doorgemaakt, en die deswege wel terdege ervaart hoe
almeer die Schrift
Maar
hem
toespreekt.
dan toch
ï<2'^eow<im7?<7e7i; en zonder vrees voor tegengezegd, dat Gods heilig Woord in zijn pit en kern, in zijn diepte en hoogte, alle eeuwen door, eigenlijk alleen door hen is gesmaakt, verstaan en genoten, die behooren tot de lieden, van wie in Psalm 107 zoo naar waarheid staat, dat „hun hart door zwarigheid vernederd werd", dat ze „wandelden door de duisternis en door de schaduwe des doods" en gedurig stonden „voor de koperen deuren." In Hebreen 11 gaat de ivolke der getuigen voor uw oog voorbij, als een lange reeks van mannen en vrouwen, die „verlaten, verdrukt en kwalijk gehandeld zijn, hebben in woestijnen gedoold en op bergen
spraak
dit blijven
mag
en in spelonken en in de holen der aarde"; en het meest zij, die evenals deze heiligen den vollen beker van „moeite en van verdriet" hebben uitgedronken, vinden in de Schrift hun eigen zielsgedachte uitgesproken.
Voor hen eerst is in volle mate die heilige Schrift geestelijk sympathiek. Met name geldt dit van de Psalmen Davids, waarin telkens en telkens al die baren en golven des Almachtigen over het hoofd van den knecht Gods henengaan, en toch telkens weer de dienstknecht des Heeren het hoofd uil die golven opheft, en vraagt: „Waarom buigt gij u neder, mijn ziele?" tot de stil gemaakte en weer opgeheven ziel zich dan tot den God harer sterkte keert, en uitroept: „Gij, Heere, ziet het immers, want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in uwe hand geve^
De „moeite en het verdriet" zijn zoo breed vertakt op deze aarde. Ge merkt dat wel niet aan den vroolijk-luchtigen toon op onze en in onze gezelschappen, en aan den feestdisch, om de licht verklaarbare reden, dat de neergebogenen van hart zich meer schuil houden, en in de eenzaamheid treuren. Ook houdt men zich zoo dikwijls goed, al stormt het van binnen. Ook zijn het niet de minst teederen, die hun verdriet opkroppen, en er met opzet niets van straten,
merken
laten.
Op den
schijn moet ge hier dan ook niet afgaan. Er is zooveel opwinding, zooveel gemaakte luidruchtigheid, zoo menige mond die lacht, als de klacht naar de lippen dringt. Ook heeft God uit genade in ons menschelijk hart een schier onuitputtelijke bron van stille hope en levensmoed doen ontspringen, die telkens weer over de teleurstelling triomfeert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's