Als gij in uw huis zit - pagina 168
156
trouw en staat als zoodanig voor God en tegenover u schuldig, maar nooit kan daarom gezegd, dat ze als onderdanen in onderdanigheid te kort scholen of ook uw gezag hebben miskend. Vooral onder ons, Christenen, behoort
dit
klaar en helder te
worden
ingezien.
We
moeten ons nooit een recht aanmatigen, dat ons
niet toekomt. geen heeren meer, en onze dienstboden zijn geen slaven of slavinnen meer. Wat onze wederzijdsche betrekking beheerscht, is de verhouding van afspraak, overeenkomst en vergelijk, maar altoos afspraak en overeenkomst tusschen vrijen onderling.
Wij
zijn
En toch, zoo beslist en zonder aarzelen als we dit uitspreken, even welbewust voegen we er aan toe, dat in het apostolisch vermaan ook nu nog voor onze dienstbaren een band van Godswege ligt. In den regel w^eigeren onze dienstbaren te erkennen, dat ze in dienst zijn,
en
Ten
bij
voorkeur spreken ze van een „betrekking".
deele
Tegenover
nu hebben
ze hierin gelijk.
mannen en vrouwen,
helaas, ook onder de Christenen en Christinnen niet zoo zeldzaam, die uit de hoogte op hun „onderhoorigen" neerzien, en hun persoonlijke vrijheid slechts ten deele erkennen willen, hgt er zekere waarheid in, dat er op dat woord „betrekking" telkens zekere nadruk wordt gelegd. Soms toch veroorloven zelfs de kinderen des huizes zich tegenover de dienstboden een toon en houding, die kwetst en met de eere van den Christennaam ten eenenmale onvereenigbaar is. Maar hieruit volgt nog allerminst, dat daarom elk begrip van dienst kan of mag worden prijs gegeven. Veeleer dient er nadruk op gelegd, dat hetgeen, waarin onze dienstboden gemeenlijk verkeeren, een betrekking van dienst is. Er zijn in een gezin van eenigen omvang allerlei bezigheden te verrichten, die men vooraf niet nauwkeurig bepalen kan. Er is op allerlei manier hulpe noodig. Er komen den ganschen dag door allerlei zaken voor, waarbij men anderer dienst van noode heeft. Voor die diensten nu neemt men zijn dienstboden in zijn huis, en zulks op de vanzelf sprekende conditie, dat zij de diensten, die in het redelijke van hen gevorderd worden, gewilliglijk en trouwelijk zullen
bewijzen. het dus ontegenzeggelijk waar, dat onze dienstboden bij ons hun betrekking mede, dat ze niet maar een afgesproken taak afwerken, maar dat ze ons dienen; doen, wat hun gezegd wordt, en in het volbrengen van deze dagtaak met bescheidenheid en getrouwigheid verkeeren.
Al
is
in betrekking zijn, toch brengt juist het eigenaardige van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's