Als gij in uw huis zit - pagina 89
77
was uitgeweken en Jeremia derwaarts met zich nam. Toen toch ontdekte Jeremia, dat een menigte Joodsche vrouwen in stille afzwierven naar de weelderige lust-tempels der Heidenen, en, met die vreemde vrouwen saam, offeranden offerden aan den afgod, dien ze noemden de Koninginne des hemels. naar Egypte
:
Daarover heeft Jeremia ze toen
Maar de
onheilige
omgang met
bestraft
en ze
tot
die wereldsche
boete opgeroepen.
vrouwen had reeds
den geest dier Joodsche vrouwen derwijs verwilderd, dat en roekeloos weg tot Jeremia riepen: „Wij zullen naar u niet hooren, maar ganschelijk doen wat onzen mond is uitgegaan, rookende aan de Melecheth, d.i. aan de Koninginne des hemels" (vs. 16, 17). Reeds dit was ergerlijk, maar toch teeken van nog dieper verval „Zoudt ge school in wat ze er, om Jeremia te tergen, bijvoegden meenen, dat we aan de Koningin des hemels rookten, zonder medeweten in korten tijd
ze
driest
:
van onze mannen
?•'
Daaruit toch bleek, dat de vrouwen wel alleen onder elkaar deze zonde bedreven, maar dat haar mannen, ook al deden ze er zelven niet aan mede, en al hielden ze zich, alsof ze er niet van wisten, wel terdege door hun vrouwen waren overgehaald, om er geld voor te geven. Want natuurlijk zulke weelderige uitgangspartijtjes naar de Melecheth-tempels waren èn door de kostbare toiletten, èn door de fijne offeranden, die men brengen moest, duur. Zoo zondigden de vrouwen bitterlijk, maar haar mannen droegen de schuld mede, want, zoo teekent Jeremia in vs. 15 op, het waren ^mannen die ervan wisten,''' wisten dat hun vrouwen alzoo God verachtten en de knie bogen voor Melecheth.
Op
vreemds. op, en ook onder ons is nog veelszins gemeen, dat benepen stelsel, om „een hand voor de oogen te houden", veel wat men weet dat plaats grijpt in zijn huis „door de vingers te zien", zich te houden „of men er niet van weet", en te doen „alsof men het niet heeft gemerkt." Zelfs mag gezegd, dat hierin tot op zekere hoogte iets goeds ligt. Het „wees niet al te rechtvaardig" heeft zijn betrekkelijk recht. ,Wie op alle slakken zout wil leggen" mat af en verslapt de veer van het vermaan. W^ie altoos verbiedt, vindt ten slotte geen gehoor meer. Een klok die aldoor tikt, tikt, ja, slaat ten leste, uur- en halfuur-slagj zonder dat ge het merkt. En de uitkomst toont dan ook, dat het bij slot van rekening nog het best in die gezinnen loopt, waar men in den regel den teugel eenigszins viert, en slechts als de zaak het waard is, den teugel, maar dan ook terdege aantrekt, desnoods geholpen door de zweep. zichzelf ligt hierin niets
Uit onze zondige natuur
komt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's