Als gij in uw huis zit - pagina 176
164 slaat dan nooit verlegen, men kan alles zeggen, en heeft wat de wereld noemt een maklijk fiux de bouche, d. i. een zeldzame uitstrooming van den woordenvloed. Ook is het ongemak in den huislijken kring, dat zulk een aldoor spreken de ruste stoort en ten slotte, o, zoo moede maakt, nog het
Men
ergste niet.
Neen, veel erger leidt,
om
alle
verliezen,
tot
is
het, dat dit te haastig spreken er
ongemerkt toe
zelfbeheersching en ingetogenheid in zijn woorden te men voor niets meer staat, en letterlijk alles zegt, wat
mond komt.
voor den
En dit nu juist is in den huislijken kring, is in den gemeenzamen omgang de oorzaak van zooveel bitterheid en verstoring der geesten, van zooveel twist en verwijdering. Dan lokt het ééne woord het andere uit, de ééne tong maakt de andere los, de welbespraaktheid uit den Booze wordt vaardig over man en vrouw en kind en dienstbode. De één poogt den ander in radheid van woord te overtreffen. Het geduld ontbreekt om elkaar te laten uitspreken. De één valt den ander gedurig in de rede. Het wordt een verheffen van de stem tegen elkander in. De misbruikte taal jaagt het bloed uit het hart naar het hoofd. En het einde is, dat de Goddelijke gave, die ons voor uiting van lof en liefde geschonken werd, dienst doet om keer op keer den huislijken vrede, aan den disch, bij het gezellig verkeer en bij de gemeenzame ontmoeting te verstoren. Kondt ge dan op zulk een oogenblik die mannen, die vrouwen, die kinderen, die dienstboden de tong vastleggen en ze voor een uur stom maken, ge zoudt hun een weldaad bereiden.
Maar zoo mag het niet. Onze taal, de heerlijke gave van het spreken, hebben we nu eenmaal van onzen God ontvangen, en aan ons de verantwoording, hoe we ook die gave onzes Gods besteden.
En daarom nu menschelijh dat
te
juist
woord zoo
komt Gods Woord ons bij het gebruik van ons ernstig manen, om toch voor alle ding tegen
haastig spreken op onze hoede te
zijn.
Niet natuurlijk, alsof tergen, liegen, vleien en vlijmen met het woord nog niet veel erger ware, maar overmits al dit overige kwaad saamhangt met die ééne ordinantie onzes Gods, dat de taal, dat het woord knecht moet zijn, dat het woord dienen moet, en niet mag heerschen.
Te kunnen zwijgen, verraadt zooveel hooger genade, dan om te kunnen spreken. „Spreken is zilver," zegt de Schrift, „maar zwijgen is
goud.'''
Zijn long in toom te houden, en als ze is
blijk
van hooge
zielskracht.
„Die
zijn
kwaad
mond
zegt de Spreukendichter, bewaart zijn ziel van
wil haar te temmen^
en
zijn
tong bewaart,
benauwdheden."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's