Als gij in uw huis zit - pagina 114
;
102 Onuitputtelijk is metterdaad de zee van namen, waarmee de mensch heel de wereld overdekt heeft. Er is geen rivier en geen stroom noch vhet, geen baai of zeeëngte, geen kaap of berg, geen kust of strand, geen plas of meer, kortom, er is geen stuk of plek van de geheele aarde, of de mensch heeft het alles met een naam genoemd. Met een naam ook elke soort van plant en alle soort van dieren. En zelfs hierbij laten we het niet, maar ook in die soorten van dieren geven we aan ons eigen dier dan nog weer een aparten naam. Er is geen hond, die niet een eigen naam draagt geen paard dat op zijn stal niet met een eigen naam genoemd wordt; en zelfs roept wie melken gaat de koe reeds van verre bij haar naam. Bij zeeschepen heeft men dit zelfs zoo ver gedreven, dat men, vóór het afloopen van het schip, die naamgeving op plechtige wijze doet plaats grijpen. Soms zelfs worden bij zulk een naamgeving van een schip gebeden gehouden. En gelukkig niet in onze taal, maar in het Engelsch en Fransch, spreekt men op stuitende wijze zelfs van een schip te doopen. ;
Toch gevoelt men terstond, dat al deze soort naamgeving nog niet anders dan de verre achtergrond is, die achter het noemen van den 9iaam in den hoogsten zin ligt, en dat dit hoogste in alle naamgeving eerst daar bereikt wordt, waar de mensch nederknielt, en de profetie in vervulling gaat, die God door Ethan uitriep: „Hij zal mij noemen Gij zijt mijn Vader, mijn God en de Rotssteen mijns heihy Dat is het hoogste noemen. Aldus weerklinkt de naam die boven allen naam is. In de aanbidding van den Eenige viert alle naamgeving haar volstrekten triomf. Maar tusschen die lagere en tusschen die hoogste naamgeving staat nu de naamgeving van het menschenkind in. Genomen uit de aarde, en toch geschapen naar Gods beeld. Vandaar dat die naamgeving onder menschen een stuk historie is dat de Heilige Schriftuur er zoo telkens op terugkomt en dat God zelf zich herhaaldelijk verwaardigd heeft, om namen van menschen in nieuwe namen te veranderen. Denk slechts aan Abraham en Israël. En sterker nog, dat het als belofte voor elk uitverkoren kind van God vaststaat, dat hij eens „een witten keursteen ontvangt, en op dien keursteen een nieuwen naam, dien God hem geven zal, en dien niemand kent dan God en hij zelf." Eigenlijk moest dus elk kind dat geboren wordt een eigen naam hebben, een naam, dien niemand anders droeg en elk uitverkorene ter zaligheid moest voor en in den Doop een naam ontvangen, die uitdrukte, wat hij eens eeuwig in het koninkrijk der hemelen zal zijn, :
;
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's