Amendement-Kuyper op de Ongevallenwet - pagina 77
71 controle hierop te laten uitoefenen door het bestuur van de Bank. Juist dit laatste moet opwegen tegen de te groote inschikkelijkheid, waartoe de altoos min of meer hulpbehoevende positie van een getroffene leiden kon. Ook is de Bank tot het uitoefenen van die controle volkomen in staat, daar zij te allen tijde het recht 30.
heeft, zie art. 74, vierde lid, de loonlijsten te raadplegen. Wel geeft hij toe, dat aan de vergelijking met andere soortgelijke werklieden, vooral met die in soortgelijke ondernemingen, altoos onzekerheid blijft kleven, maar dit bezwaar wordt in het ontwerp zelf, zie art. 8, sub I II, niet onoverkomeulijk geacht. Door eene invoeging in het voorlaatste lid is thans het recht van controle voor het bestuur van de Rijksverzekeringsbank versterkt.
—
De opmerking in het Kamerverslag, aldus luidende: „Het zegt dat het bedrag der waarborgsom wordt herzien na het opmaken van elke wetenschappelijke balans. Gevraagd werd, of hieraan niet eene bepaling behoort toegevoegd te worden betreffende de verplichting tot storting van de som waarmede de waarborgsom verhoogd wordt", vond hare beantwoording in de woorden van het tiende lid: „of ook van wijziging van het in het eerste lid bedoelde tarief". Aan de opmerking der Regeering over den strijd tusschen art. 86, 1ste lid, en art. 67 is gevolg gegeven. Toezending van eene der in het nu 2de lid bedoelde kwijtingen aan dén Minister, en niet aan de Bank, is voorgesteld, omdat de niet-storting der waarborgsom vóór den bepaalden dag de erkenning der vereeniging van rechtswege vernietigt, en de erkenning iets is, dat rechtstreeks niet de Bank maar de Regeering aangaat. Het feit van de erkenning of niet-erkenning eener Vereeniging behoort in deze lijn van gedachten door de Regeering ter kennisse van de Bank te worden gebracht. In het nu derde lid is dit anders, overmits niet-storting op tijd van eene aanvulling geen regelrecht gevolg heeft voor de erkenning der vereeniging. Het 7de lid, evenals het 12de lid, is nu dit èn van de zijde der Regeering èn van de zijde der Kamer, als overbodig wordt beschouwd, teruggenomen. Het bedoelde Regeering en Bank in staat te stellen, over de soliditeit der Vereeniging, door kennis van de afzonderlijke prestatiën harer leden, te oordeelen. Voor binnen den in art. 67 (nieuw) bepaalden termijn, is overeenkomstig de bedenking der Regeering thans geschreven: „op den in het 8ste lid van art. 67 (nieuw) bepaalden dag." De juiste bedenking der Regeering tegen het 11de (nu 5de) lid, dat het grooter aantal werklieden een hooger bedrag der waarborgsom kon vereischen, is, door de berekening per honderd werklieden te laten loopen, ondervangen. Het bezwaar door de Regeering ingebracht tegen het laatste lid van dit artikel is door het nieuwe eerste lid van art. 92 (nieuw) vervallen. Het vorderingsrecht der Bank tegen de vereeniging is daar uitgesproken. Ten slotte is ondergeteekende niet ongaarne tot eene vereenvoudiging van de drie eerste leden van dit artikel en de daarmede saamhangende wijziging in het 10de lid, in den geest van wat de Regeering in overweging gaf, overgegaan. De oorspronkelijke redactie sproot alleen voort uit de vrees, dat van de zijde der RegeeArt. 86.
vijfde
lid
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 114 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 114 Pagina's