Als gij in uw huis zit - pagina 39
27 vier een eigen heerlijkheid, telkens
met den schaduwkant
er
bij,
voor
het oog getooverd.
En telken
in
die opeenvolging der seizoenen geeft
jare
weer hetzelfde onderricht van
uw God
zijn
u onderwijs, majesteit en macht,
van den ommegang uit het leven naar den dood en dan weer den dood naar het leven; een onderricht in beelden even zinrijk als tot actie uitdrijvend; want gij zelf gaat in die seizoenen meê en ondergaat er den prikkel van.
en
uit
men
Alleen van den Hermon niet. sneeuw; maar overigens was de koude er nooit zoo snerpend, en zat de Jordaan er nooit zóó vast als het ijs soms vastzit op onze rivieren. En toch, wat heeft desniettemin de Schrift ons, kinderen van het noorden, niet veelszins den zin van wat de winter aanbrengt, vertolkt. De sneeuw, die het aardrijk overdekt, is, hoe prachtig ook, toch een beeld des doods, en het eerst dat de Schrift er u van meldt is in het In
Israël
kende
onzen winter
glinsterde de nooit smeltende
wit der melaatschheid ^melaatsch, wit als de sneeuw.''^ En evenwel, omdat uit den dood het leven is, wordt diezelfde sneeuw evenzoo beeld van ontzondiging. „Wasch mij geheel, en ik zdA witter ivezen dan sneeuw die versch op het aardrijk nederviel." Zoo bad David in zijn zielsnood, en Jesaia bracht ons het woord der Goddelijke belofte: „Al waren uwe zonden als scharlaken, 7AyL\x\\Qn\NovdiQnals witte sneeuw.'''' Zoo wordt het sneeuwkleed beeld van hemelsche smetteloosheid. Er zijn ^schatkameren' waar dat hemelsche blank uit nederdaalt. Wie God kent zal om „geen rotssteen des velds verlaten de sneeuw van den Libanon'' (Jeremia 18:14). Als de majesteit des Heeren verschijnt, „is zijn kleed wit als de sneeuw''' (Dan. 7 9). Dat glanzig wit blinkt aan Gods engelen als ze bij het geopend graf van Jezus verschijnen. Van den Heiland zelf op Thabor heet het: „Zijn kleederen werden zeer wit als de sneeuw". En Johannes op Pathmos heeft hem nogmaals in dat witte sneeuwkleed gezien. Maar ook in die sneeuw is niet alleen het zinbeeld van den dood en het zinbeeld van smettelooze hemelsche reinheid, er is in die sneeuw ook een werking, met de werking van Gods Woord vergelijkbaar. Ge kent het stuk dat in Jesaia daarvan orakelt: „Want gelijk de sneeuw uit den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert, maar doorvochtigt de aarde, en maakt dat ze voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier en brood den eter, alzoo zal mijn Woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn." Dat is het wat we straks noemden, dat er in den winter een formatie, een schepping, een actie van Godswege schuilt. De winter is er niet maar, neen, God zelf heeft hem geformeerd. :
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's