Als gij in uw huis zit - pagina 198
186
Denk maar aan wat de Psalmist zong „Waterbeken vloeien af uit mijne oogen, omdat zij uwe wet niet onderhouden." En nu, wie is er onder Gods kinderen, die dat den Psalmist na kan zeggen, en die zóó zijn God liefiieeft? :
Er is daarom ook wel veel goeds, veel dat blij stemt en oorzaak van vreugde moet zijn. Wie het danken verstaat, en het niet als een vorm misbruikt, kan geen avond neerknielen, of de stoffe overstelpt hem. En in de natuur, én in de gemeene genade, én in het bijzonder genadeverbond zijn de goedertierenheden des Heeren zoo overvloedig. Ook komt ons van liefde toe. En zelfs de vogel als hij zingt en de hond tegen ons opspringt brengt iets vriendelijks in hel leven. Vandaar dat wie een aandoenlijk, ontvankelijk hart heeft, zijn onwaardigheid kent, en in oprechtheid betuigt: „Wie ben ik, Heere, dat al deze weldadigheid mij overkomt", ook wel waarlijk in zijn hart die diepe aandoening van vreugde en blijdschap kent, die de apostel op het oog had, toen hij schreef: „Verblijd u te allen tijde." Maar dan is het echte blijdschap. Niet een kunstbloem, maar een bloem van vreugde ontloken aan den stengel onzes levens. Een hooge blijdschap en dankbaarheid, die niets met den lach der opwinding of der gekunstelde opgewondenheid gemeen heeft. Niet een heenglijden over zijn hart, maar een leven uit zijn hart, en daarom een vriendelijk zijn jegens menschen en een dankbaar zijn voor zijn God, met een blijdschap die den ernst nooit breekt, en met de sympathie des meêlijdens voor allen nood en bezorgdheid in geen
menschen zooveel als hij
den minsten
strijd
is.
En daarom wat we is
in onze huizen en samenkomsten noodig hebben noch dat eindelooze ginnegappen en gekscheren, noch ook de stijfheid
der melancholie en de gedruktheid der somberheden, maar een ernstige levenstoon, die door wezenlijke liefde bezield is, die teeken is van een diep leven, van een niet heenglijden over de dingen, maar van een inleven in alle ding van ons hart. Ook wel eens de gulle lach, en een ons vermaken met wat geestig is, maar toch dat als uitzondering, en als regel een toon des levens gelijk een engel Gods dien zou aanslaan, als hij nederdaalde te midden van onzen jammer, en toch tegelijk in dien jammer het oog ontsloot
voor de rijke genade waardoor Gods liefde ons dien
jammer
verzoet.
}
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1899
Abraham Kuyper Collection | 304 Pagina's