De overheid - pagina 173
§
Van
5.
het souverein gezag.
Dan
Ditzelfde geldt van heer en knecht.
den ander
155
omdat de een aan
bestaat er gezag,
gebieden kan.
iets
God souverein gezag over personen en volkeren, d. w. z. God de Heere zich als „Ik" stelt tegenover het „ik" van den mensch,
In dien zin oefent
dat ook
en
wanneer
dat,
botsing
mensch voor plicht
te
de verkeerdheid van den mensch
door
Souverein
als
gezag
zijn
gezag
het
om
heeft
in
het „ik" van den
doen buigen en dat het „ik" van den mensch ver-
onderwerpen en daarnaar
zich te
is
twee ikken
die
God
geraken,
te schikken.
Gezag in engeren zin wordt dus geboren, waar er sprake is van personen, die in hun uitingen onder de macht en heerschappij van anderen staan. In dien engeren zin is God de Souverein. de Koning der koningen en wordt Hij in „de Heere" genoemd. Niet zoozeer in den naam „God" maar in 't bijzonder „het Heere, Heere Zijn" spreekt zich de souvereiniteit in engeren zin
zoo
<lit
merkt men op
is,
Men
mee gerekend wordt.
bestaat,
maar
Wezen
en van de Goddelijke Voorzienigheid
er
gehoord.
niet
menschen
er niet
„ik"
doorgedrongen,
Hem
van
als
Terwijl
tegenover het eeuwige
de drang bestaat
„Heere
te spreken.
Ik
In die
voor zoover
als
Heere op zich ;
Gods
relatieve „ik"
Thans
zijn
hij
van den mensch gesteld
Waarom In
moet toegegeven
tot
God
te
kennen geeft
absoluut „Ik" tegenover het
als
heeft.
een geheel andere vraag, nml. of er e 't
i
n
i
t
e
i
t
va
antwoord
n
m
buiten
e n s c h o v e
e negativo.
er
is
van
niet
tegelijkertijd
hem
door
zal
een ander een gelijke of nog hoogere
uitgeoefend moet worden.
volgens de grondwet gewoonte, dat iemand, wanneer een
r
Dat kan
niet ?
souvereiniteit over
orde
al
„Ik zal zijn, die Ik zijn
z.
de eerste plaats, omdat, wanneer men souvereiniteit over iemand
uitoefenen,
Het
w.
de Statenvertaling
den naam Jehova het gezag en de souvereiniteit
r
P.
onrechte,
d.
wie het „Ik" van God zich
we gekomen
in
is
de speciale openbaring van
Gods souvereiniteit om s o u v e mensch bestaan kan? Daarop luidt niet.
juist het
der heirscharen genoemd,
De naam „Jehova"
beteekent Jehova
ligt in
uitgesproken, omdat bij
God „Heer
Gods
doen optreden en
te
nomenclatuur openbaart zich
dit volstrekt niet ten
zelf niet
want metterdaad
aan diegenen,
en tot de kennisse
is
„Heere"
Heere tegenover de engelen met souverein gezag optred. w. z. de Opperheer van alle heeren,
„Heere" vertaald en
dat
als
Heer der Heeren
op aarde gezag uitoefenen.
die
door zal"
Hij
uitoefent.
dit
;
ontdekt
om Hem
«nger begrip van souvereiniteit. Zoo wordt dend,
spreekt dan van het Opperste
de naam „Heere" echter wordt waar de mensch God kent, waar des
kringen,
in
Dat
uit.
waar nog wel een geloof aan God
in die kringen,
buitenlandschen
vorst
hij
een ridder-
ontvangt, vergunning moet hebben van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 470 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 470 Pagina's