De engelen Gods - pagina 263
DE ROEPING DER EN'GELEX.
inwendig zou de afgestorvene
geestelijk,
van
heid
hun
den staat der gescheiden-
God kunnen trillen. Maar meer. God had hun ziel én
lichaam, van vreugde voor
het
was
dit
ziel, in
259
Ze
genoeg.
niet
Avilden
En daarom verlangden
lichaam geschapen.
ze en hijgden ze naar dien
dag der heerlijkheid, waarop ze lichaam en stem terug zouden erlangen, om weer met volle stem en op zuivere, heilige tonen den lof des
Heeren
Al geven we derhalve stemming kan
kunnen uitgalmen.
te
de
in
ziel
God
een
verheerlijkende
toe, dat er zijn,
ook
en dat het
stemming is die den lof der lippen tot lof voor God maakt, toch behooren we tusschen die Godverheerlijkende stemming der ziel,
eerst die
en
dien
uitgang
spreekt
al
van
Hoe nauw
maken.
nu
het
stemming en
de
ziel
vanzelf,
innerlijke
die
bezitten kunnen, alsook dat
opmerkt,
stemme des lofs onderscheid
in de
beide ook saamhangen, ze zijn dat de engelen die
beweging van
God
tiiet
God
hetzelfde.
te
En
verheerlijkende
aanbidding
in
die de geesten proeft, deze
den geest
stemming
en deze beweging der geesten naspeurt, toch gaat het niet
aan, dit geheel op geestelijk gebied afgespeelde bedrijf
met den naam
van loven te bestempelen.
Alzoo staan we voor deze keuze engelen
ge
slechts
moet ook
in
voor
ge moet óf zeggen, dat er
:
overdrachtelij ken
de
engelen
de
zin van loven sprake
mogelijkheid stellen,
bij
de
is,
óf wel
om
zonder
hun lof, hun prijs in de tonenwereld te doen weerklinken. Eu dan komt het ons voor, dat er voor de laatste keuze veel te zeggen is. Ook daar toch, waar in de Heilige Schrift van de engelen buiten hun aardsche verschijning, van de engelen voor Gods troon en in de hemelen, sprake is, wordt niet alleen het verheerlijken van Gods naam inwendig, maar zeer onze
spraakorganen,
bepaaldelijk
den
het
voorgrond
hun
loven, gesteld.
lied,
hun
zang,
prijzen en lofzingen der engelen gedurig op
De engelen en
der engelen zang zijn twee
denkbeelden, die in de Heilige Schrift steeds reeds,
nog eer
vroolijk
zongen
er
Bethlehem was zoo roerend schoon, dat
nog
gehuwd
zijn.
Ze zongen
menschen geschapen waren, toen de morgensterren De engelenzang bij en de kinderen Gods juichten.
in onze ooren en harten naklinkt.
hij
En
ons, na achttien eeuwen,
de engelenzang uit Openb.
houdt ons geen andere toekomst voor, dan waarin dit zingen en loven en juichen en jubelen van de engelen voor Gods troon, de 14
heilige muziek der eeuwigheid zal zijn.
We
ontvangen heel de Schrift
door den indruk, niet dat de vogelen zingen en wij menschen zingen, en dat nu ook de engelen op onzen zang zekere flauwe echo geven.
Eer omgekeerd ons het
zijn
de
engelen
de
zangers
bij
uitnemendheid, die
voorgaan, die ons den toon aangeven, en van wie wij menschen In het rijk der heerloven en prijzen van onzen God leeren.
lijkheid
nu dat komt, zou
al dit
schoon uit de engelenwereld voor 17*
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's