De engelen Gods - pagina 198
DE ENGEL DES HEEREN.
194
het nergens, en zegt veeleer dat
bovendien,
Docli
gelijk uit al de verhalen
hij
der engelen natuur niet aannam.
deze Engel des Heeren?
verscheen
Jioe
in menschengestcdte.
blijkt,
Natuurlijk,
Vooral het verhaal
van Manoach en bij Pniël heft hierover eiken twijfel op. Een engel En zoo zou men is een geest en kan als geest ons niet verschijnen. dan weer deze ongerijmdheid verkrijgen, dat de Zone Gods eerst het een engel aannam, en daarna, als engel, weer de gestalte
van
wezen
om
van een mensch,
eerst als een vermenschte engel zich te openbaren.
Uit dien hoofde verwerpen we geheel deze ongerijmde voorstelling, en houden staande, dat er óf te vertalen zij: »de Gezant des Heeren", óf wel dat »Engel" in de uitdrukking: »de Engel des Heeren" een overdrachtelijke beteekenis heeft, genomen van den gewonen engel als bode Gods.
over
waar vanzelf
Iets
uit volgt, dat al
wat opgeteekend
staat
den »Engel des Heeren" ons metterdaad niets leert omtrent de
verhouding waarin de engelenwereld Volledigheidshalve
zij
den Christus
tot
staat.
nog een kort woord aan toegevoegd over
hier
mannen" die aan Abraham bij de eikenbosschen van Mamré Sommigen meenen hier in die drie mannen de heilige verschenen. Drievuldigheid te zien, maar het verhaal geeft hiertoe geen recht, »de drie
en ook onze Kantteekenaren verwerpen deze opvatting. Uit Gen. 19: blijkt toch, dat twee van deze drie personen engelen waren, en uit 1
Gen. 18: 33, dat Jehova één der drie was. Er staat toch: »Toen ging Jeliova weg, als Hij geëindigd had met Abraham te spreken, en die ticee
haal
kwamen
engelen
Jehova
en
te
twee
de
Sodoni in den avond."
men
zoo
aandoen,
geweld
Hem
Het
is
alzoo het ver-
de scherpe onderscheiding tusschen
verzeilende
engelen
uit het
oog
verliest.
Abraham desniettemin bij den eersten oogopslag zich verd7'ie geicone 7'eizigers te doen te liebben, bewijst klaarlijk, met beeldde dat de Heere met zijn engelen niet in Goddelijken luister verscheen, maar in de gestalte van drie reizende personen, die als de andere Dat nu
menschen gekleed waren. Onbegrijpelijkkan dit alleen aan hem voorkomen, die den mensch in zijn kleed aanziet voor iets dat eigenlijk buiten
God om
stand
tot
dat
belijdt,
alle
komt en
bestaat.
Wie daarentegen
gelooft en
kinderen der menscheu, één voor één, naar
ziel
en
lichaam, van oogenblik tot oogenblik, eeniglijk bestaan door den wil
en de kracht Gods, en dat tot
niet
ophield
verstuiven
hen
te
zij
zouden,
zoowel indien
als
hun
kleed, als in een
de Heere ook
oogwenk
maar één seconde
dragen en in stand te houden, vindt er niets onge-
mensch schept en in stand houdt, met lompen bekleedt, op zulks voor de uitvoering van zijn Raad dien-
rijmds in, dat diezelfde God, die alle
en elk
ze
allen,
oogenblik
één voor één, dat Hij
met
jjiirper of
stig acht, vrijmachtig over een mensclielijke gestalte en een menschelijk
kleed kan beschikken,
om
straks, als zijn raad volbracht
is,
die
mensche-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's