Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 177
meditatiën over het lijden en sterven onzes heeren
:
„DIE YOORBIJ&IXGEX LASTEKDEX HEM."
169
kan liij gif mengen, en dan die gedachte vlijmend toeen aan die gedachte weerhaken geven, tot ze wondt, vergiftigt en zitten blijft. Christus is hef Woord, het Woord dat in den beginne bi.] God en Grod was. En uit Hem is óns het woord toegekomen, de gedachte en de uiting der gedachte. Onze eere, ons Goddelijk privilegie, zoo dat »'oo;7/en dieye^fo^Z'/'p ons uit den mond vloeiden naar het Goddelijk bestel. Maar ook onze diepste zelfonteering, zoo we die gave van het woord tegen het heilige richtten, en niet eere en lof, maar smaad en lastering voortbrengen, lastering om te kwellen en te dooden, waar het woord liefde ademen en leven wekken moest. En hier keert zich dit in smading omgezette woord tegen liet Woord. Het is de Gever van het woord, die met zijn eigen gave gehoond wordt. Het is uw Jezus, die als het Woord, aJa de Zone Gods, in zijn stervensweeën nog op zijn Goddelijk hart wordt getrapt. „Indien gij de Zone Gods zijt, Jcom af van het knus'". Zoo blies Satan het hun in. Zoo heeft Jezus het gevoeld. Zoo was de toeleg in de wonde, die Jezus werd toegebracht. Maar zij die voorbijgingen, wisten niet wat ze deden. Zij geloofden jiief, dat Jezus de Zone Gods, en het eeuwige Woord, en Israëls Messias was. Yoor hen was Jezus een dweper, een die zichzelf misleidde en het volk misleid had. Hun zonde was juist, dat ze niet aan Jezus geloofden. Maar in dit hun ongeloof werden ze de instrumenten van Satan, en door hen heeft Satan Jezus nog in zijn sterven gekweld. In kalme, heilige majesteit heeft Jezus ook dien bittersten aanval doorstaan, en ook hier werd het woord vervuld de Overste der wereld komt, maar heeft aan mij niets. Niet Jezus, de medekruiseling nam op dit sarrend lasteren het woord Vreest gij God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt En toen sprak Jezus van het Paradijs. Geen gedachte van weerwraak, hemelsche gedachten vervulden zijn ziel. Maar op ons zet Satan zijn boosaardig handwerk voort. Wij belijden van Jezus te zijn. roemen in het kindschap. betuigen te weten, dat we uit den dood overgegaan zijn in het leven. En nu komt Satan, soms zelf in zielsverzoeking, doch meesc door menschen, ook op ons af, en roept ons toe Indien ge dan kinderen Gods zijt, waarom weerstaat ge mij dan niet, waarom kan de zonde u dan nog telkens verrassen, waarom schiet ge dan nog zoo telkens in uw geloof, in uw liefde, in uw heiligen wandel g-edac'hten
scherpen,
:
'?
:
We
We
:
te kort
?
In den srond dezelfde
lasterins;
van onzen
staat.
Tegen Jezus
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's