Zijn uitgang te Jerusalem - pagina 12
meditatiën over het lijden en sterven onzes heeren
„DE
riTGAJs-G,
DIEX HIJ
ZOI'
YOLBREXaEN.
Nog verstrikt het ons zoo vaak in raadselen, waarom die realiteit van Grolgotha onmisbaar was. Of waren ook Henoeh en Xoach, waren Abraham en Israël, waren een David en een Jesaia niet reeds tot de rechtvaardigmaking gekomen ? Was ook hunner niet het geloof in den komenden Messias ? En als zij dan reeds tot de schare der volmaakt rechtvaardigen waren ingegaan, zonder dat de realiteit van (xolgotha verwezenlijkt was, waarom kon gelijke genade dan ook ons niet bewezen zijn, al ware dat Grolgotha steeds verschoven, ten leste verschoven tot het einde der wereld, en daardoor vanzelf overbodig geworden ? De volkomen gewilligheid om te lijden was in Messias toch openbaar, kon Grod dan niet, den wil voor de daad nemende, van den eisch des stervens hebben afgezien, en nochtans ons in Christus hebben verzoend en vergeven ? Als toch in Jezus' hartebloed de volkomene ofterwilligheid was, waarom moest dat bloed zelf dan nog vloeien? Hing het aan het vergieten van dat bloed dan ? Was hier de realiteit onmisbaar? Moest dan waarlijk al dat bittere lijden rolhrachf worden ? Xiet voor ons, oj)dat wij het zouden aanzien, maar voor Grod, ojjdat er verzoening zou wezen ? Aldus spant zich de strik voor ons denken, een strik uit de verwarde draden van den twijfel van ons hart gevlochten. Want wel kunnen we het onszelven en anderen beredeneeren, dat op de zonde de straife des doods was gesteld, en dat om ons te verlossen, Jezus voor ons en in onze plaats, dien dood ondergaan moest. Maar als de ofterwilligheid om te sterven een volkomene is, wat ontbreekt er dan nog aan de gezindheid des harten, en wat heeft Grod dan aan dat storten van het bloed ? En tegen dien strik des twijfels nu juist komt Thabor op. Neen, het is Grod niet om de heredeneerinci van de verzoening, maar om de realiteit der verzoeniiig te doen, en daarom gaat nogmaals van Thabor de Groddelijke ordinantie uit, dat dit lijden des doods niet alleen aanvaard en gewild, maar ook werkelijk moest volbracht worden.
Op
realiteit Ivomt het liier aan. De abstractie, de voorder dingen in de gedachte, de ontleding in ons denken, de verbeelding des geloofs baat hier niet. Zeker, het denken verklaart het leven, maar het is daarom nog het werkelijke leven niet. en wat ge denkt of u voorstelt, is tot niets nut, als er niet vooraf of daarna wezenlijke realiteit aan beantwoordt.
die
stelling
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 252 Pagina's