Het Calvinisme - pagina 145
HET CALVINISME EN DE KUNST
141
aanzijn riep. En ook, is en blijft God Souverein, dan ook deze gaven uit aan wie Hij wil, eerst zelfs aan Kaïn's en niet aan Abel's geslacht, niet alsof de kunst Kaïnitisch ware, maar opdat wie de hoogste gaven verzondigd had, althans in de mindere gaven der kunst, gelijk Calvijn het zoo schoon uitdrukt, een „blijk zou bezitten van zijn goeddadigheid." Dat nu dit kunnen, dit kunstvermogen in de menschelijke natuur bestaan kan, danken we aan onze schepping naar den beelde Gods. In de reëele wereld schept God alles, daarin is alleen Zijns het kunnen, en deswege is alleen de Oorblijft Hij de Opperste Kunstenaar. Hij als God spronkelijke, wij zijn niets dan dragers van zijn beeld. Ons kunnen, óns vermogen, óns nascheppen van het scheppen Gods, kan daarom
wereld
tot
deelt Hij
alleen
in
een
sc/z//nrealiteit
bestaan, en alleen in dien zin
is
het,
mensch op kunstgebied, ook op zijn manier als schepper optreedt, om in de bouwkunst zich een kosmos, in de beeldhouw-
dat de
kunst de vormen, in de schilderkunst het door leven,
in
lijn
en
tint
bezielde
de toonkunst het mystieke, in de dichtkunst het bewuste
leven voor oog en oor te tooveren, door God daartoe aangedreven en van God daartoe bekwaamd. En dit alles rust op de erkentenis, dat het schoon niet onze inbeelding, niet onze subjectieve gewaarwording is, maar dat het Schoone objectief bestaat, en uitdrukking is van die Goddelijke volkomenheid, die in heel de schepping uit-
kwam, toen God zag „dat het alles goed was," opdat zijn welbehagen zich daarin verlustigen zou. Denk u alle menschenoog gesloten en alle menschenoor toegestopt, dan nog blij'ft het schoone en God ziet en hoort het, want niet alleen zijne „eeuwige kracht," maar ook zijn „Goddelijkheid" wordt van de schepping af in zijne schepselen verstaan en doorzien, en die „Goddelijkheid"
is juist de zuivere de zuivere evenredigheid van het schoone. Dat merken we ook aan ons zelf, want is in ons een kunstoog en daarom kunstvermogen, dan moet wel het absolute kunstoog in God zelven
harmonie,
zijn kan dan wat we in den beelde Gods uit Dat weten we evenzoo uit de schepping die ons omringt, uit het firmament, dat zich over ons welft, uit de weelde der natuur om ons heen, uit de vormenweelde in mensch en dier, uit het geklots van den stroom en uit den zang van den nachtegaal, want al dit schoon hoe kan het geschapen zijn anders dan door Een die zelf het schoon in zijn Wezen draagt, en door zijn Goddelijke deugden het voortbracht? En zoo ziet ge, hoe uit de erkentenis zijn, wijl
Hem
in
ons niets
ontvingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 192 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 192 Pagina's