De engelen Gods - pagina 270
266
T)E
STRIJD DER ENGELEN.
deze vraag dient daarom iu dit verband eenigszins dieper
Ook op ingegaan,
de poging behoort althans gewaagd te v»^orden,
en
om
uit
de vaagheid hier tot eenige juistheid en nadere omschrijving te komen.
Hiertoe nu sta hier in de eerste plaats een kort woord over den dus-
genaamdeu zieleslaap, die wel buiten ons onderwerp schijnt te liggen, maar er bij nader indenken toch rechtstreeks meê samenhangt. Men weet wat onder dien zieleslaap, waartegen reeds Calvijn een afzonderlijk tractaat schreef, verstaan wordt. Men bedoelt hiermede namelijk, dat de gestorven menschen, die bij den dood hun lichaam afleggen, en tot op 's Heeren wederkomst geen ander lichaam erlangen zullen, inmiddels
welk
enkel
dat
bestaan
voortbestaat
?
—
komt met den dezen
is,
te
ziel
voortbestaan
als een
zouden
noch
en dat alsnu op de vraag
:
als ziel
dat deze toestand geheel overeen-
zij,
Volgens de voorstanders van
de afgestorvenen, tot op den oor-
derhalve
noch
bewustzijn,
;
mensch zonder lichaam, enkel
antwoorden
toestand van den slaap.
zieleslaap
deelsdag,
de
hi
wetenschap,
noch
bezigzijn,
noch
handeling kennen, en zouden, zonder aandoening of genieting, onbewust voortdommelen als in den slaap. En hiertegen nu zijn, voor Calvijn, de leeraars der Christelijke kerk steeds in verzet ge-
na
en
komen, hebben er nadruk op gelegd, dut voor de verlosten in Christus terstond na hun dood de zaligheid intreedt, en dat ze er zeker van zijn,
aanstonds
bij
hun Heiland
te
zullen wezen,
bij
Hem in
te Avonen,
en alzoo heerlijke vreugde deelachtig te zijn.
Hoe waar noeg,
en
afdoende dit antwoord echter was, het gaf niet geervaring heeft dan ook geleerd, dat men door zeker
en
de
van
element
waarheid,
zien, de geloovigen
Ondervraagt
men
men nog algemeen
het stelsel van den zieleslaap, voorbij te
in
min of meer toch
in
een
a;?(/o'
dwaalspoor geleid
heeft.
huidige geloovigen op dit punt, dan zal
de
een voorstelling vinden, alsof de toestand der ge-
loovigen na den dood eigenlijk niets meer te wenschen overlaat. Iets
wat zoover gaat, dat men over de groote verandering die de wederkomst des Heeren in den toestand der gezaligden zal brengen, nauwlijks nadenkt, en dat niet het minst hierdoor het verlangen naar Heeren wederkomst, het Maranatlia^ wegsterft in de ziel. Men bidt nog wel om de wederkomst des Heeren, in den zin, dat men zijn komst, o zoo gaarne wenschen zou terwijl men zelf nog leeft. Maar wordt men ouder, en merkt men wel, dat men het zelf niet meer 's
beleven
zal,
denkende
dan wordt men voor »Ik sterf toch vooraf
:
ik zal er toch niet bij zijn
En len
dit allen
hooren,
nu
is
;
ik
zullen
dus
alle
Heeren wederkomst onverschillig, voor mij geeft het niet meer ;
;
ga nu reeds vooruit naar den hemel."
een onjuist belijden.
die in de graven zijn
en
's
weg
Naar Jezus'
stellige belofte zul-
de stem van den Zoon des menschen
verlosten des Heeren, uit wat
eeuw ook,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's