De engelen Gods - pagina 231
KARAKTER VAN SATAN's VAL.
reeds
denken
te
Hoovaardi] het
was
iets
zelf willen heerschen
Satan
verried
God
Wat
zyu.
zult ook gij als
Satan
God
zijn,
Satan, daarmee dat
Satan droomde van
eigen opzet.
zijn
God was.
zich zelven, dat hij ja waarlijk als
Hield nu
en als
Dan
:
de intimiteit van zijn onheilige zelfkennis genomen.
uit
woord
dat
In
onderworpen werd aan Satan. anders dan zich niet onderwerpen,
w^are,
aan Eva influisterde
Paradijs
geheel
nog
daarom
is
ook tegelijk
is
het
in
heiligschennis
227
hij
het gevoel, het besef van afhan-
kelijkheid uit zijn geest bande, en zichzelven in zijn onafhankelijkheid dacht, hield hij daarmee ook feitelijk op, afhankelijk
te zijti?
Ontsnapte
Gods almacht? Ontkwam hij? Gelukte het hem, buiten Gods heelal, in het eeuwig niet en ledig waar niets is, een schuilplaats te vinden, waaruit hij zich een heiburcht tegen God bouwde, om zich Satan
aan
tegen
Gods almacht te verweren? Metterdaad stellen velen het zich Ze denken zich, dat er een eeuwige ruimte bestaat, dat
zoo
voor.
God,
toen
Hij
van
gedeelte
heelal
zijn
ledige
die
voor dit heelal slechts over een
schiep,
ruimte beschikt heeft; dat er dus nog een
onmetelijke ongebruikte, onbezette ruimte, een onafzienbaar ledig van
kanten overbleef; en dat nu Satan in dat ledig, in die onbezette
alle
gevlucht
ruimte
zich daar tegen
is,
God
heeft versterkt, en dat
we
Al zulke voorstelling moet intusschen, wie uit de Heilige Schrift leeft, ten eenemale verwerpen. God is alomtegenwoordig. Stel dus al, er ware zulk een
daar
poorte
de
ruimte,
ledige
zou
nooit
»Bedde
der
zoo
helle
hebben
God
zou
te zoeken.
toch ook in die ledige ruimte zijn en
eenig creatuur in dit ledig zijn
ik
mij
in
de
helle,"
God kunnen
ontvluchten.
zegt de Psalmist, »zie Gij
Maar bovendien, zulk een eeuwig
ledig
is
zijt
daar."
een geheel on-Schriftuurlijk
God óm. Geen schepsel maar één oogenblik, of op datzelfde oogenblik bestaat het, doordien God het draagt als met zijn eigen hand. Er bestaat dus niet eerst een plaats, waarop nu voorts het geschapen schepsel wordt neergezet, zoodat God er nu van af is, en het schepsel nu op zijn eigen plek moet staan. Die plek toch waarop het creatuur staat, zijn steunsel onder hem, is en blijft altoos Gods hand. Trekt God van
verzinsel
bestaat
denkers
die
dachten
buiten
ook
die terug, zoo bestaat het schepsel niet meer, en
draagt of
de het
altoos
en
alleenlijk dezelfde
zoolang het bestaat,
hand Gods ons.
Wat
wij plaats
noemen, is dus niet iets op zichzelf, maar ontstaat met schepping van het creatuur, en bestaat slechts in zoover als God
ruimte
creatuur
schiep,
en
die
plek of plaats
in
zoo
verkeerde
hem een plek of plaats om te bestaan gaf, hem blijft toekennen. Wat aan menigeen, die
en
voorstellingen
bevangen
ligt,
vreemd voorkomt, 15*
is
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1900
Abraham Kuyper Collection | 300 Pagina's